Sciencefiction is alleen goed als het ook zou kúnnen kunnen

Fiction is prima, maar de science moet wel een beetje plausibel zijn. Anders boezemen al die gekloonde beesten, apocalypsen en op hol geslagen robots geen angst in.

Logisch is het niet. Waarom zou je je druk maken over een veer meer of minder, terwijl je naar een film over gekloonde dino’s kijkt?

Waarom winden fans zich meer op over het feit dat de vrouwelijke Na’vi in Avatar borsten hebben – het zijn toch geen zoogdieren? – dan überhaupt over het bestaan van een planeet met blauwe wezens en bezielde glow in the dark-pluisjes?

En waarom maken fans zich drukker over een minuscuul rekenfoutje met parsecs in Star Wars IV (1977) dan over het opdraven van een groene, zwaardvechtende dwerg? (Voor de fans: wired.com/2013/02/kessel-run-12-parsecs/)

Sciencefiction heeft zo zijn eigen regels. Fiction mag volop, zolang de science maar enigszins plausibel blijft.

Dat komt doordat sciencefiction balanceert op de rand van verlangen, zegt Dan Hassler-Forest, en angst. Verlangen naar de mogelijkheden van technologie en wetenschap: ruimtereizen, klonen, contact met aliens, allemaal hartstikke gaaf. En angst dat diezelfde technologie onbeheersbaar wordt. Dat die ons contact met onszelf, elkaar en de natuur verpest, ons vernietigt. Zie de oer-sf-roman Frankenstein.

Maar voor dat effect moet de bedachte technologie dus wel ooit, een keer, kúnnen bestaan. Anders is er niks te vrezen. Science fantasy houdt ons niet uit onze slaap.

Hassler-Forest is universitair docent populaire cultuur aan de Universiteit van Amsterdam. „Goede sciencefiction is een gedachtenexperiment”, zegt hij. „Er wordt een wereld gecreëerd waarin niet één idee wordt uitgedragen, maar waarin de kijker telkens van positie kan schakelen. Wat is aantrekkelijke technologie, wat is beangstigend?”

En dat gedachtenexperiment verandert met de tijd. Het was niet zomaar dat sciencefiction een vlucht nam in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw. Hassler-Forest: „The sky was the limit. Wetenschap rukte op, vanalles werd gemechaniseerd.” Was sciencefiction eerst nog vaak utopisch van aard, à la Jules Vernes Naar het middelpunt der aarde, na de Tweede Wereldoorlog werd het beeld grimmiger. „Het idee: wetenschap en technologie helpen ons niet langer.” 

De sciencefiction van nu weerspiegelt nieuwe angsten: leven we wel in een echte wereld of is alles virtueel, computergestuurd? (The Matrix) Wat als de zelfgemaakte robots en cyborgs op hol slaan? (The Terminator) Wat als we met elkaar de aarde zo vervuilen dat we weg moeten? (Interstellar en, vooruit, Wall-E). En wat als we grote, enge beesten kunnen bouwen? (Jurassic World).

Maar dan moet je wel een paar goede wetenschappers inhuren om je script te lezen. Voor die veren. Hier nog een paar fijne blunders.

De tagline van Alien (1979) is: In space noone can hear you scream. Precies. Want in de ruimte is er geen lucht, dus geen drager voor geluid. Stanley Kubrick deed het in 1968 goed in 2001: A Space Odyssey, maar velen na hem niet meer. Kijk Battlestar Galactica (1978) maar. Interstellar (2014) en Gravity (2013) hebben de ruimte wel weer stil gemaakt. Wat ook niet kan: de explosies in Starships Troopers (1997) met veel vlammen in een zuurstofloze ruimte.

Armageddon (1998). In de film stevent een meteoriet op aarde af en de enige oplossing is landen op het stuk steen, boren en er een kernkop in stoppen. Afin. Het leek Michael Bay logischer om een groep ruige olieboorders in drie weken om te scholen tot astronaut dan een stel hoogopgeleide astronauten te leren boren. Bovendien: ben je met een puinregen op aarde werkelijk beter af dan met de inslag van één meteoriet?

Independence Day (1968). Terwijl het cybercriminelen niet eens lukt een virus te maken voor Mac én pc, redt nerd Levinson de mensheid door een computervirus te schrijven voor een volslagen onbekende, buitenaardse vliegende schotel.

The Net (1995). Waarom doet Outlook dat eigenlijk niet? De hacker ramt op het toetsenbord, rijen en rijen groene letters en tekens rollen over het scherm, en dan komt er piepend een blok in beeld met: ACCESS DENIED. De hacker tikt nog wat meer en voilà: ACCESS GRANTED. Zie jij dat je laptop ooit zeggen als je je mail opent? En waarom moet alles eigenlijk in zo’n enorm groot lettertype?