Opereren is heerlijk om te doen

Hij schreef een boek over de anale fistel van Lodewijk XIV en de tumor in de teen van Bob Marley. Bij een broodje praat chirurg Arnold van de Laar over snijden in mensen. ‘Zijn wij helden of blaaskaken?’

Arnold van de Laar, chirurg: „Achter de zelfverzekerde uitstraling verstoppen we onze twijfel. Dat is onze manier om het voortdurend sluimerende schuldgevoel op een afstand te houden.”

Mijn lunch is doorgaans dramatisch”, mailt Arnold van de Laar (45) van tevoren. Staand, tussen twee operaties door, schrokt hij een broodje naar binnen. Vijf minuten. Hooguit. En als hij al eens in de bedrijfskantine van het Slotervaartziekenhuis in Amsterdam eet, gaat zijn pieper om de haverklap af en moet hij een telefoon opzoeken om „een patiënt te overleggen”. Arnold van de Laar is chirurg. Hij stelt voor af te spreken op zijn vrije dag, bij een café op de Prinsengracht, waar hij hemelsbreed nog geen vijftig meter vandaan woont.

Aan een klein tafeltje zit hij te wachten. Jong gezicht, donkerbruine ogen. Geruststellende ogen, stel ik me zo voor, als je die als laatste ziet voor je het bewustzijn verliest en hij zijn scalpel pakt. Hij oogt iets onwennig. Komt het door de setting? Zo’n half duister café op klaarlichte dag. Of voelt hij zich onthand, met alleen een koffie verkeerd om in te roeren? Normaal gesproken begint zijn dag om half acht en eindigt om een uur of zeven ’s avonds. Dan heeft hij vijf of zes patiënten geopereerd, spreekuur op de polikliniek gehouden, zijn ronde over de afdelingen gedaan, en al zijn (medische) handelingen schriftelijk vastgelegd.

Waar heeft hij, die zich nauwelijks rust gunt om te eten, de tijd gevonden om Onder het mes te schrijven? Vorige maand verscheen zijn boek waarin hij als een archeoloog de medische geschiedenis achterhaalt van beroemde patiënten. Van de anale fistel van koning Lodewijk XIV tot de stoma van paus Johannes Paulus II en de tumor in de teen van Bob Marley. En daarmee documenteert hij ook de geschiedenis van zijn vak.

Hij glimlacht, verbaasd dat mensen verbaasd zijn over zijn verrichtingen. Schrijven doet hij „gewoon in het weekend”. En het speurwerk naar hoe een operatie honderd jaar of langer geleden gegaan zou kunnen zijn? „Dat gaat bijna vanzelf.” Hij leest graag biografieën. En vaak komt hij daarin medische informatie tegen die hem nieuwsgierig maakt. Een biografie over koningin Victoria bijvoorbeeld, waarin staat dat ze het onverdraaglijk vond dat zij, als machtigste vrouw op aarde „onmenselijke pijn” moest lijden bij zo’n „beestachtige gebeurtenis” als een bevalling. Bij de geboorte van haar achtste kind, in 1853, wordt de hulp van dokter Snow ingeroepen, die haar bij elke wee wat druppeltjes chloroform toedient. De koningin beschrijft het middel na een voorspoedige bevalling als „soothing and delightful”, verzachtend en verrukkelijk. Arnold van de Laar leest in zo’n anekdote vooral de geboorte van de anesthesie. „Een revolutie in de chirurgie. Voor de algehele narcose bestond, moest een arts vooral snel snijden.” Zijn assistenten konden de patiënt meestal niet zo heel lang in bedwang houden.

Hij raakte gefascineerd door de lijfartsen van Lodewijk XIV die 59 jaar lang elke dag minutieus verslag deden van de koninklijke gezondheid. Op 15 januari 1686 werd gewag gemaakt van een zwelling aan zijn anus. De hulp van een chirurg werd ingeroepen. „Tegenwoordig helemaal geen ingewikkelde ingreep. Maar in die tijd was zo’n operatie nog nooit gedaan.” Van de Laar schrijft over de aarsspreider en het ingenieuze sikkelvormige mesje dat de dokter voor de operatie ontwierp. En hoe hij eerst op 75 gewone mensen oefende voor hij de koning opereerde. Die herstelde overigens goed. Na drie maanden reed hij weer paard. In een biografie van Lenin las hij iets over zijn beroertes, waarvan werd gedacht dat ze veroorzaakt werden door Lenins korte nek. „Dan ga ik graven. Medische achtergronden zoeken. Puzzelen over wat de oorzaak wél geweest kan zijn.”

Enkele hoofdstukken uit Onder het mes verschenen eerder als column in het Nederlands Tijdschrift voor Heelkunde. Hij schreef voor vakgenoten, die hij niet hoefde uit te leggen wat een subfrenisch abces is of een sigmoïd perforatie. In een zomer heeft hij de hoofdstukken aan elkaar geschreven tot een boek. De beroepsvereniging zag er wel een aardig relatiegeschenk in voor het lustrum. Van de Laar had iets groters in gedachten. Hij stuurde het manuscript met zelfgemaakt omslag op goed geluk naar een uitgever. „Zo’n compleet boek valt maar heel zelden bij ons in de bus”, zegt Eric de Bruin, redacteur van Thomas Rap. Binnenkort verschijnt Onder het mes ook in het Duits.

Van de Laar is de eerste arts in zijn familie. Zijn vader was onderwijzer, zijn moeder kleuterleidster en zijn oudere broer restaureert schilderijen. „Vroeger was ik degene die met technisch lego de circuits bouwde. Mijn broer reed er met autootjes doorheen.” Was hij in een doktersfamilie opgegroeid, zegt hij, dan had hij misschien eerder begrepen dat er een verschil is tussen geneeskunde en heelkunde. De dokter geneest, de chirurg heelt. „Ik ging medicijnen studeren om chirurg te worden. Dat ik ook huisarts of internist kon worden, kwam niet eens bij me op.”

Na zijn artsexamen koos hij voor de opleiding neurochirurgie. Het viel hem bitter tegen. „Hersenen, dat is vetweefsel. Een massa met weinig structuur.” Hij had zich verheugd op snijden, knippen, puzzelen en daarna alles weer netjes aan elkaar hechten. „Hands on.” De ‘gewone’ chirurgie, waar hij vrij snel naar overstapte, was een „walhalla”. Alsof hij in plaats van borduren ineens mocht figuurzagen.

Voor een eerstegeneratiearts is hij toch opvallend verbaasd over hoe weinig buitenstaanders van zijn beroep weten. „Jij vraagt me ook al wat voor chirurg ik ben. Hoezo? Elke chirurg is algemeen chirurg. In principe kunnen we alles opereren. Iemand met een steekwond én iemand met een tumor van een kilo.” Oké, opnieuw. Hij kan dus alles, maar hij doet veel maag- en darmoperaties (de gastro-intestinale chirurgie). En hij is gespecialiseerd in de bariatrische ingreep. Van baros (gewicht) en iater (arts). Bij patiënten met ernstig overgewicht wordt de maag verkleind of omgeleid. „Het effectiefst is de gastric bypass.” De slokdarm wordt aan de dunne darm gekoppeld. Hij wijst op de dikke sneden brood op onze borden. „Een hap daarvan komt dan direct in je darmen terecht.” Van daaruit gaat er een rechtstreeks signaal naar je hersenen. „Het verzadigingspunt komt sneller dan wanneer het eten eerst via je maag moet.”

Sinds de verschijning van zijn boek praat hij vaker met niet-medici over zijn vak. Voordien deed hij dat nauwelijks of niet. „Thuis heb ik het er nooit over.” In het ziekenhuis, ja, daar wordt wel gepraat. „Meer dan artsen die niet hun handen gebruiken, moet een chirurg rechtvaardigen wat hij doet. Mijn handen en mijn handigheid zijn deel van de behandeling. Ik bén de behandeling. Als een patiënt na de operatie overlijdt, dan is dat door mijn mes, ook al ging er niets fout.” En dan? „Dan ben je uren, soms dagen aan het piekeren. Je moet aan jezelf verantwoorden wat je hebt gedaan. Was het niet gebeurd als ik dit, of als ik dat? Je praat met nabestaanden, collega’s. Net zolang tot je een acceptabele versie hebt van hoe het heeft kunnen gebeuren.” En dan? „Dan moet het slijten. Dat duurt een paar weken. Of maanden.” Maar nogmaals, zegt hij, niks van dat gepieker gaat mee naar „de echte wereld”. Vrouw, kinderen en familie valt hij er niet mee lastig.

Cowboychirurgen

Zijn boek heeft hem zelf ook aan het denken gezet. Wat zijn chirurgen voor mensen dat ze zomaar een mes in een ander kunnen zetten? „Zijn het helden? Blaaskaken?” Nou? „Vroeger waren er zeker cowboychirurgen. Amputaties, aderlatingen, lukraak uitgevoerde operaties. Pas toen het belang van hygiëne werd begrepen, begonnen patiënten operaties vaker te overleven.” Om snijdende artsen heeft altijd een aura van onaantastbaarheid gehangen, zegt hij. „Tot dertig jaar geleden werd nog gepocht dat grote chirurgen grote sneden maakten.” De moderne chirurg snijdt nauwelijks meer. „Vrijwel alles doen we laparoscopisch.” Door kleine kijkgaatjes. Ook wel jammer, vindt hij. „Ik doe steeds minder met mijn handen.”

Maar is het aura verdwenen? Niet echt. „Achter de zelfverzekerde uitstraling verstoppen we onze twijfel. Dat is onze manier om het voortdurend sluimerende schuldgevoel op een afstand te houden.” Opereren is heerlijk om te doen, zegt hij. „Maar de verantwoordelijkheid is loodzwaar.”

Hypochondrie, heeft hij daar geen last van? Als je zoveel zieke lichamen ziet, ga je vast snel twijfelen aan je eigen gezondheid. Hij lacht, weer verbaasd, en zegt dat hem dat vaker wordt gevraagd. En het antwoord is? „Nee.” Het klinkt niet helemaal overtuigend. „Wat het lichter maakt, is dat ik vooral dat opereer wat ik zelf zeker niet zal krijgen. De kans dat ik 160 kilo ga wegen en een maagomleiding nodig heb is nihil.” Dat is anders als hij een kanker in de dikke darm moet wegsnijden. „Dan kan ik me de angst van de patiënt voorstellen, de onzekerheid over de afloop, het verdriet van familie en kinderen.”

Dat is ook iets wat hij zich is gaan afvragen. Hoe kan het dat chirurgen niet doodongelukkig worden van het menselijk leed dat ze bijna dagelijks zien. „Een normaal mens zou er met gemak chronisch depressief van raken. Zijn wij dan knettergek, briljant, gewetenloos?” Bij hem moet het iets te maken hebben met de absolute scheiding die hij maakt tussen het ziekenhuis en thuis. „Daartussen zit een barrière.” Vertelt zijn buurman dat hij kanker heeft, dan raakt het hem persoonlijk. „Is het een patiënt, dan leef ik ook mee. Maar ik bedenk meteen hoe ik de operatie ga aanpakken en wat zijn kansen zijn.” Liever kent hij zijn patiënten niet te goed. „Ik heb één patiënt gehad. Een man. Ik opereerde hem in 2005. Hij was jong, net als ik. Hij had jonge kinderen, ik ook. Elk jaar stuurt hij me rond Kerst een bedankkaart met een staatslot. Ontzettend aardig, maar ik heb er nooit op gereageerd.” Heel even opent hij een kijkgaatje naar zijn binnenste. „Zulk contact, dat gaat me bijna te ver. Dat vind ik belastend. Begrijp je dat?”