Column

Wessel te wie?

In een café in Amsterdam-West was een literaire avond georganiseerd. Het werd een dankbare avond voor de twintig performers, ieder woord werd geïnhaleerd. Alsof we haver stonden uit te delen in een stal met hongerige paarden. God, wat waren ze dankbaar. Ik moest ook wat doen. Het openslaan van mijn boek was al grappig, zo’n avond dus.

Na afloop werd ik aangeklampt door een kalende jongen met ambities. Hij viel maar meteen met de deur in huis: „Ik ben een volle neef van Wessel te Gussinklo, de schrijver.”

Drie romans had hij inmiddels geschreven, maar de stap om een uitgever te benaderen was vooralsnog een te grote geestelijke barrière, temeer omdat zijn beroemde neef hem dat ten stelligste afraadde. En nu was zijn vraag of ik, hij vermoedde allerlei raakvlakken qua humor en interesse, er niet eens naar wilde kijken. Mocht hij een keer bellen?

Een normaal mens denkt dan ‘flikker op’, maar ik had vier bier op en was de beroerdste niet. De gretigheid waarmee mijn telefoonnummer werd genoteerd was meteen een reden tot zorg.

In de rookruimte nog een gesprek met een meisje dat een blog schreef over dat ze eigenlijk een schildpad was, en met een nogal overheersende eenpersoonsuitgeverij gespecialiseerd in porno, homoseksualiteit en FC Twente die de hele tijd zei dat we nog niet klaar waren met praten.

„Wil jij me alsjeblieft niet onderbreken als ik praat? Dankjewel.”

Het was zo’n avond waarvan het leuk was dat ik er was geweest, maar waaraan maar beter een einde kon komen.

Een kwartier later zat ik een paar straten verderop achter een bord friet en een Panorama uit de leesmap in Snackbar Constantijn. Tevreden, want alleen. Pas thuis merkte ik dat ik daar mijn iPhone had laten liggen. Er volgde een dag waarop ik continu met andermans telefoon naar snackbar Constantijn belde, waar ik telkens hetzelfde antwoord kreeg: de medewerker die erover ging sliep nog.

Ik haatte snackbar Constantijn.

Tegen de avond nam ik mijn verlies.

De nieuwe telefoon was nog niet aangesloten of er verscheen een melding van zestien voicemailberichten, zestien! Daar begon de ellende al, natuurlijk had ik iets belangrijks gemist.

Het waren boodschappen van de man die schrijver wilde worden en die de hele nacht had liggen malen over zijn neef Wessel te Gussinklo van wie hij opeens vermoedde dat die toch te kritisch was geweest. Anyway, hij kon niet wachten tot hij met mij zijn manuscripten kon doornemen.

Ik had nog nooit wat van Wessel te Gussinklo gelezen, maar de manier waarop hij zijn familie kleineerde begon ik te waarderen.