Later leven

‘Marc groet ’s morgens de dingen’ is de titel van het beroemde gedicht van Paul van Ostayen (1896-1928) waarin hij beschrijft hoe een kleine jongen de wereld begroet, ik denk meteen nadat hij goed wakker is geworden. Dat staat er niet bij. „Dag ventje met de fiets op de vaas met de bloem/ ploem ploem/ dag stoel naast de tafel/ dag brood op de tafel”. Enzovoorts. Hij is weer in de wereld. Dat doet hem een onbeschrijfelijk plezier, zoveel dat hij spontaan gaat begroeten. Ik kan het me nog altijd voorstellen. ’s Ochtends vroeg kan de wereld me dusdanig meevallen dat ik mijn hand opsteek tegen de lantarenpaal die voor mijn raam staat.

Iedere begroeting van dit soort is een weerzien. Je her-kent. Dat doet je in een bepaalde mate plezier en dat laat je weten. In deze tijd waarin er hoe langer hoe minder aan de media ontsnapt, is de overbegroeting tot ontwikkeling gekomen. Vrienden die elkaar een week niet hebben gezien, vliegen elkaar in de armen, bekloppen elkaar alsof ze van de dood gered zijn. Misschien is het gemeend. In ieder geval hebben de televisie en de ontwikkeling van de fotografie en de digitale apparatuur in de loop van de laatste halve eeuw een nieuw soort openbaar gedrag doen ontstaan. Min of meer spastisch noem ik het, maar het is gewoon geworden.

Er is een gedicht, vrijwel tegengesteld aan dat van Paul van Ostayen. Het is van François Haverschmidt (1835-1894), pseudoniem Piet Paaltjens, het staat in de bundel Snikken en grimlachjes en het gaat over een man die langs een gracht in Leiden loopt. Daar heeft hij lang geleden gestudeerd. Nu ziet hij de geraamten van oude, lang geleden gestorven vrienden uit de ramen hangen. Voorzover ik het me herinner. Ik heb dat boekje eens uitgeleend en daarmee was het spoorloos verdwenen. Laat de nieuwe pseudo-eigenaar zich melden als hij dit mocht lezen.

Ik denk tegenwoordig meer en meer aan dit gedicht. Naarmate je ouder wordt ervaar je dat er meer vrienden van je dood gaan. Als je nog in de optimistische fase van je leven bent, heb je er wel verdriet van, maar ondanks het blijvend gemis gaat dat voorbij. En dan komt er een ogenblik waarop je bijvoorbeeld in de tram het huis van een gestorven makker passeert, je steekt onmerkbaar je hand op en je zegt: Dag Hans. Er komen er meer. Ha Harry. Hallo Theo. Dag Jean-Paul. Je kan wel aan de gang blijven maar een innerlijke stem zegt je dat het moet. In deze tijd worden de mensen steeds ouder; over een paar decennia is misschien 130 een haalbare leeftijd. Metusalem is 969 jaar geworden. Je moet er niet aan denken.

Dan bereikt dit soort dromen het volgende stadium. In alle wereldgodsdiensten wordt verzekerd dat aan het einde der tijden de hele gestorven mensheid weer tot leven zal komen. Er is volgens mij geen kunstenaar die zich daarvan nooit een voorstelling heeft gemaakt. Maar je kunt ook denken aan een wederopstanding volgens je particuliere voorstelling. Op een dag krijg je van een geheimzinnige hogerhand het bericht dat je op een zekere tijd naar de schouwburg of het stadion moet komen. Je gaat en daar blijkt dat zich een selectieve wederopstanding heeft voltrokken. Alleen je tijdgenoten zijn de gelukkigen of het slachtoffer.

Zo zie je je beste vrienden terug maar ook je aartsvijanden. Dat wekt de gemengde gevoelens die je ook in normale tijden hebt. Hier en daar vallen teruggekeerden elkaar in de armen zoals ik hierboven heb beschreven maar er zijn ook mensen die zich vervuld van weerzin omdraaien als ze elkaar zien en hier en daar ontstaan vechtpartijen. Kortom, het leven in dit hiernamaals verschilt in wezen niet van het leven waaraan we gewend zijn geraakt toen we nog op aarde waren.

Ik ben volstrekt ongelovig opgevoed. Iedere voorstelling van een later leven is me vreemd. Maar ik had een katholiek vriendje, Polletje. Ik kreeg eens ruzie met hem, we begonnen te vechten en hij verloor. „Eeuwig zul je branden!” riep hij, We zullen zien.