Kwartet

Elke week staat op deze plek een fictieverhaal. Deze week het begin van de nieuwe roman De grote goede dingen van Alma Mathijsen.

Ooit reed mijn vader over deze weg met twee violen in de kofferbak. Nu rijdt de taxichauffeur hard, mijn rug drukt dieper in de zachte achterbank. Koplampen verlichten vliegend stof, het onderscheid tussen de bergen en de hemel is bijna weggevaagd, een zwakke lijn kronkelt door de nacht. Don wordt wakker van de hobbels in de zandweg, waar we met 70 kilometer per uur overheen rijden. De schokken komen tot in mijn stuitbeen. Als ik daar later krom van ga lopen, zal ik nog weten hoe ik een streep trok door de woestijn met de beste vriend van mijn vader en een naar appeltabak ruikende Israëliër.

Jaloezie overvalt me. Jaloezie op iemand die al lang dood is en die zoveel sigaretten leegzoog dat zijn longen in een krul draaiden. Iemand die zoveel alcohol dronk dat zijn lever het uiteindelijk begaf. Don zat toen ook in de auto, voorin, naast mijn vader. Ze gilden van plezier en van de absint, terwijl ze wisten dat ze later die nacht moesten spelen. Tweeëntwintig jaar later is Don er nog steeds. Hij is nog steeds de beste vriend van Just, mijn vader. Dat gaat niet over. Als hij naar me kijkt staan zijn ogen zacht. Ik voel dat hij in mijn buurt wil blijven. Dat het door mijn vader komt, daar ben ik me al te bewust van. Jaren terug heeft Just iets gemaakt wat nu nog steeds bestaat.

Mijn vader speelde in een kwartet met Don, Herman en Majoor. Hun begroetingen duurden minuten, ze hielden elkaar lang vast. Bij hen was alles groter en erger, ook als het goed ging. Ze speelden strijkkwartetten van Haydn, Beethoven en Brahms, als ik in bed lag luisterde ik naar de muziek van beneden. De partijen smolten samen, het klonk niet als vier verschillende mannen, het klonk als één. Het mooiste hebben ze gespeeld in Israël, zegt Don. Toen waren ze nog jong.

Het is uitzonderlijk dat Just deze ochtend als eerste wakker is, normaal slaapt hij net zo lang totdat hij zich niet meer slap voelt. Nu kan hij draaien wat hij wil, maar de slaap komt niet meer. Ze slapen in een hotelkamer met twee tweepersoonsbedden. De voeten van Don steken onder de lakens uit. Just ademt iets te hard in, zoals hij vroeger ook deed bij zijn broers, en geeft een paar keer tikken op het bedframe.

Majoor is opgegroeid in Eilat, een kustplaats aan de Rode Zee. Na de oorlog waren zijn ouders Nederland ontvlucht.

Op zijn zeventiende is hij teruggevaren op een containerschip, met baard zette hij voet aan wal en vanaf dat moment werd hij Majoor genoemd. Hij is de eerste die Just kuchend tot stilte maant. Daar wordt Herman wakker van. Ook al liggen ze nu al twintig dagen naast elkaar, het eerste woord blijft ongemakkelijk.

‘Verdraaid,’ zegt Herman en gaat direct rechtop zitten, ‘weer is de zon opgekomen. Mag ik mezelf als eerste onder de kraan zetten?’ De andere drie antwoorden met een zucht en een grom. Nu is iedereen wakker, al zullen ze zeker nog een halfuur volhouden dat dat niet zo is.

Vanavond spelen ze eindelijk voor publiek in het Tsavta Theater. Ravi Libwitz heeft ze verboden nog voor de uitvoering te repeteren, daar heeft Just maling aan. Niemand hoeft hem te vertellen wat hij wel of niet moet doen, zelfs Ravi niet, de grootste violist op aarde. En aangezien hij de oudste is en het meest overtuigend, hebben ze gisternacht dronken besloten vroeg op te staan om nog een laatste keer te oefenen. Dat moest ditmaal ergens anders dan in het landhuis van Ravi in het noorden van Tel Aviv.

Don springt op en vraagt verheugd: ‘Honger? Ik heb honger.’

‘Niet zo hard,’ zegt Majoor, ‘ik blijf nog lang in bed. Ik rust uit voor vanavond.’

Just komt overeind.

‘Waar heb je het over? We gaan repeteren, geen tijd om nu nog uit te rusten.’

Don wrijft over zijn buik.

‘Wil niemand koek in mond?’

‘Het lijkt me geen goed idee, Just. Echt niet,’ zegt Majoor traag.

‘Als er een moet repeteren dan ben jij het wel, je speelt het wel, maar je weet het niet.’

‘Niemand een zoet broodje?’

Majoor negeert Don: ‘Wat jij doet, dat is schmieren.’

‘Je bent tegen de muziek.’

Don loopt in zijn pyjama de deur uit. Op dat moment stapt Herman vanuit een stomende douchecabine de kamer in.

‘Zo, wanneer gaan we repeteren?’

Niemand zegt iets. Het geluid van verkeer zoemt zachtjes binnen. Een meeuw klapwiekt langs het raam, het beest tuurt naar opengescheurde vuilniszakken. Just pakt zijn broek en overhemd van de vloer, kleedt zich slordig aan.

‘Ik ga buiten roken, het is hier al zo benauwd.’ Majoor is naar het balkon gelopen om hetzelfde te doen. Rook waait om zijn hoofd alsof zijn haar in de fik staat, met één hand omklemt hij de reling. Just stapt naar de hal waar hij ijsberend vijf sigaretten achter elkaar rookt en denkt aan de honderden verschillende ogen van het publiek van vanavond, als flitsen schieten ze door zijn gedachten: donker, diepliggend, asymmetrisch, groen, loensend, star, blauw, grijs, dicht, omrimpeld, bruin, zwart, intens, dicht bij elkaar, ver uiteen zoals bij een vis, glanzend, klein, afwijkende iris, fonkelend, hevig knipperend, spastisch. Spastisch.