Iedereen tegen IS en tegen elkaar

De strijd tegen IS is voor Irak een kans om de geschillen tussen shi’ieten en sunnieten te overbruggen. Maar het wantrouwen lijkt te groot.

Op de frontlijn staan met de Islamitische Staat klinkt gevaarlijk. Dat is het ook wel, maar vandaag heeft het ook iets van een uitstapje. Samen met een groep shi’itische burgers zijn we ’s ochtends vroeg bij een moskee in Bagdad vertrokken naar deze frontlijn op zo’n 25 kilometer ten westen van de hoofdstad.

Bij elke vooruitgeschoven post worden water, eten en dekens uit de open vrachtwagen gegooid voor de shi’itische militieleden die hier het overwegend shi’itische Bagdad moeten beschermen tegen de sunnitische extremisten van IS.

Bij een uitstapje horen souvenirs. Wie dat wil mag een kalasjnikov lenen om er een beetje mee op IS te schieten en zich te laten fotograferen voor het thuisfront.

Het schieten is zo weinig doeltreffend dat IS – een kilometer verderop – niet eens de moeite doet om terug te schieten. Later die dag zal blijken dat IS andere dingen aan het hoofd had: die ochtend zijn ze twee verrassingsoffensieven begonnen in Ramadi en ten zuiden van Samarra.

De wereld maakte pas afgelopen zomer echt kennis met IS nadat het de grens overstak vanuit Syrië en het Iraakse leger spectaculair op de vlucht joeg in Mosul, de derde stad van het land.

Maar hier – pal op de grens tussen Bagdad en de sunnitische provincie Anbar – bestaat de frontlijn met IS al sinds januari. Zolang is de terreurbeweging al bezig met het veroveren van Anbar. Vandaag controleert IS 90 procent van de provincie.

De shi’ieten hier zeggen dat zij niet zomaar zullen gaan lopen. „Het leger heeft in Mosul voor een tactische terugtrekking gekozen,” zegt Adil Hrat Al-Timimi, een sjeik van de shi’itische stam die dit gebied controleert, diplomatiek. „Wij hebben die keuze niet. Wij wonen hier."

De Irakezen zeggen graag dat ze tot de Amerikaanse invasie van 2003 van mekaar niet wisten of ze moslims of christenen waren, sunnieten of shi'ieten. Dat is een beetje overdreven maar de weg naar het front toont aan hoezeer de tegenstelling op de spits is gedreven in de tien jaar sindsdien.

„Links is sunnitisch; rechts is shi’itisch,” legt de shi’itische chauffeur uit. „Die opgeblazen huizen die je links ziet waren van shi’ieten die aan de sunnitische kant woonden toen de burgeroorlog begon in 2006.” Nu wonen er geen shi’ieten meer aan sunnitische kant of omgekeerd.

Of IS ooit echt de bedoeling heeft gehad om Bagdad aan te vallen, zoals afgelopen zomer even werd gevreesd, zullen we nooit weten. Feit is wel dat de shi’itische milities hier aan het front geloven dat zij en niet het inefficiënte Iraakse leger Bagdad hebben gered. Het is waar zij hun legitimiteit aan ontlenen. En het is de nieuwste bom onder Irak.

Organisaties als Human Rights Watch en Amnesty International zeggen dat de shi’itische milities zich soms even erg gedragen als IS. „De milities maken genadeloos jacht op sunnitische burgers en begaan oorlogsmisdaden en grove mensenrechtenschendingen”, stelt Amnesty.

„De shi'itische milities maken geen onderscheid: voor hen zijn alle sunnieten aanhangers van IS”, zegt ook sunnitisch parlementslid Talal Al-Zubai in Bagdad.

Eén Amerikaans succes

Deze onderlinge vijandschap is nooit de bedoeling geweest. Als Washington één succes heeft geboekt in Irak dan was het wel de slimme maar cynische manier waarop in de periode 2006-2009 de opmars van Al Qaeda in Irak tot staan werd gebracht.

De Amerikanen hadden eerst met lede ogen toegekeken hoe de sunnitische stammen in de Anbarprovincie zich bij Al Qaeda hadden aangesloten in de strijd tegen de Amerikaanse bezetting.

Dat was voor een groot stuk hun eigen fout: zij hadden veel sunnieten in de armen van Al Qaeda gedreven door iedereen die ooit lid was geweest van Saddams Baathpartij uit te sluiten van elk openbaar ambt in het nieuwe Irak, en door Saddams leger naar huis te sturen. Maar de Amerikanen zagen ook dat de sunnieten zich vergist hadden in Al Qaeda.

„Al Qaeda respecteerde de stammen niet”, zegt Zaid Al-Ali, een Iraakse grondwetsspecialist en auteur die nu in Kairo woont. „Leiders die het niet met hen eens waren werden zonder pardon geëxecuteerd.”

De Amerikanen en de sunnitische stammen sloten een duivelspact tegen Al Qaeda. Vaak knarsetandend overhandigden de Amerikaanse soldaten zakken vol geld en wapens aan precies die mensen die de voorbije jaren op hen hadden geschoten.

Over een periode van drie jaar betaalden de Verenigde Staten zo'n 370 miljoen dollar aan wat de ‘Sahwa’ (het Ontwaken) of de ‘Zonen van Irak’ was gaan heten. Tegelijk vond onder bevel van generaal David Petraeus de ‘Surge’ plaats: een injectie van nieuwe Amerikaanse troepen om de situatie in Irak het hoofd te bieden.

Het plan werkte. Al Qaeda werd teruggedrongen en de verbeterde veiligheid zorgde ervoor dat ook het Mahdileger, de shi’itische verzetsgroep van stokebrand Moqtada Al-Sadr, de strijd tegen de Amerikanen staakte. Dat was goed nieuws voor president Obama, die van het terugtrekken van de troepen uit Irak een thema had gemaakt tijdens de campagne van 2008.

Vandaag herhaalt de geschiedenis zich, met IS in de rol van Al Qaeda. Wat zou dan logischer zijn dan opnieuw de Sahwa in te zetten tegen IS?

Dat is inderdaad het plan van Washington, in combinatie met het klaarstomen van het Iraakse leger voor een lenteoffensief tegen IS in 2015. Maar wat in 2006 wel lukte ligt in 2014 veel moeilijker.

Stammenleiders vragen steun

In de lobby van het Baghdad Hotel zitten sjeiks Taher Albu Ali Al-Jasim en Jabbar Al-Fahdawi, twee stammenleiders uit Ramadi, de hoofdstad van Anbar. Via woestijnwegen zijn ze naar Bagdad gekomen om steun te vragen in hun strijd tegen IS. Voorlopig zonder succes.

„De situatie is niet goed. De regering weigert met ons in gesprek te gaan”, zegt sjeik Jabbar.

Hij herinnert zich nog goed de ontmoeting met de Amerikanen destijds. „Ik heb gezegd dat ik tegen hen heb gevochten. Maar dat het nu tijd was om de pagina om te slaan en samen tegen Al Qaeda te vechten. Ik ben vertrokken met honderd kalasjnikovs.”

Nu is sjeik Jabbar al een week in Bagdad en hij heeft nog niet één kalasjnikov losgekregen. Niet van de Iraakse regering en niet van de VS-ambassade.

„De regering vertrouwt de stammen niet en aarzelt om hen opnieuw te bewapenen”, zegt Watheq Al-Hashimi. Al-Hashimi, zelf sunniet, is directeur van de Iraqi Group for Strategic Studies, een denktank, en bemiddelt tussen de sunnitische stammen en de door de shi’ieten gedomineerde regering.

„Het probleem is dat de stammen verdeeld zijn, ook intern. Neem nu de Albu Nimr-stam. IS heeft in oktober honderden leden van Albu Nimr geëxecuteerd. Maar een ander deel van de stam zit juist bij IS. Het is moeilijk te weten met wie je te maken hebt.”

Hisham Al-Zuhail gaat nog een stapje verder. Al-Zuhail is parlementslid voor de partij van oud-premier Nouri Al-Maliki en leider van de shi’itische Al-Timimi-stam. „Waarom zouden we de sunnitische stammen wapens geven? Wie zegt dat zij die niet aan IS gaan verkopen? We hebben toch het leger en de shi'itische milities?”

„En bovendien,” voegt hij er cynisch aan toe, „die stammen zullen zonder onze hulp ook wel tegen IS vechten want IS vermoordt hun leden. Kijk maar naar Albu Nimr.”

Het is juist Al-Zuhails leider, oud-premier Al-Maliki, die de schuld krijgt voor de huidige situatie. In september werd hij tot ontslag gedwongen en vervangen door Haidr Al-Abadi, ook een sji’iet.

Al-Maliki’s vertrek was voor Washington een voorwaarde voor verdere hulp. Hem wordt verweten dat hij de sektarische spanningen op de spits heeft gedreven door de sunnieten steeds meer uit te sluiten van het politieke spel.

Met de Amerikanen was afgesproken dat de Sahwa-strijders geïntegreerd zouden worden in de politiediensten. Washington hoopte zo het evenwicht tussen sunnieten en shi’ieten te herstellen.

Bevrijders

Maar Al-Maliki had geen zin in een gewapend sunnitisch machtsblok. De integratie van de Sahwa bleef uit; het geld voor de strijders droogde op. Veel Sahwa-strijders werden juist gearresteerd. Die situatie zorgde ervoor dat veel sunnieten IS aanvankelijk verwelkomden als bevrijders.

„De discriminatie van de sunnieten, de willekeurige arrestaties door het leger, het folteren in de gevangenissen, dat alles heeft een voedingsbodem gecreëerd voor IS”, zegt parlementslid Al-Zubai.

Maar net als met Al Qaeda in 2006 was de vreugde van korte duur.

„IS executeert niet zomaar de stammenleiders maar honderden mensen tegelijk. Het is voor de stammen een existentiële overlevingsstrijd nu”, zegt expert Al-Ali.

Opnieuw betalen de Sahwa-strijders de prijs. „IS heeft lijsten van iedereen die ooit met de regering of de Amerikanen heeft gewerkt. Zij worden opgejaagd en geëxecuteerd”, zegt sjeik Tabbar. „Mijn naam staat bovenaan die lijst.”

Sinds het aantreden van premier Al-Abadi waait er een frisse wind in Bagdad. Anders dan Al-Maliki lijkt Al-Abadi echt werk te willen maken van een toenadering tot de sunnieten. Maar of het zal lukken om de diepe kloof van wantrouwen te overbruggen is nog de vraag.

„Er is het besef dat verzoening de enige mogelijkheid is, al was het maar omdat Washington dat als voorwaarde stelt voor verdere hulp”, zegt analist Al-Hashimi. „Ik ben alleen bang dat het bij woorden gaat blijven.”

Een van de zaken die Al-Abadi wil doordrukken is dat alleen het leger nog wapens zou mogen hebben, zegt Al-Hashimi. Dat is een nobel streven.

„Het probleem is alleen dat Al-Abadi niet de controle heeft over de shi’itische milities. Die voelen zich sterker dan ooit, omdat zij het gevoel hebben dat zij Bagdad hebben gered. En sowieso is Iran, niet Al-Abadi, de echte macht achter de shi'itische milities.”

De tijd dringt. Diezelfde avond laat sjeik Jabbar weten dat het IS-offensief in Ramadi niet alleen van buitenaf kwam. Er waren ‘sleeper cells’ in zijn eigen stam die hen tegelijk van binnenuit hebben aangevallen.

Dat nieuws zal de regering alleen sterken in haar overtuiging dat het geen goed idee is om de sunnitische stammen te bewapenen. Maar die staan wel met de rug tegen de muur. „Als de regering ons nu niet steunt,” zegt sjeik Jabbar, „dan gaan wij ons opnieuw tegen Bagdad keren.”