Het loopt tegen ’t borreluur

Elsbeth Etty grasduint door de stapel nieuw binnengekomen boeken en geeft haar eerste indruk.

De in Praag geboren Duitse schrijver Maxim Biller (1960) kruipt in Im Kopf von Bruno Schulz in de huid van de briljante Poolse schrijver/ graficus Bruno Schulz (1892-1942) . Onbegrijpelijk dat de titel is vertaald als De verloren brief aan Thomas Mann [1]. Weliswaar ‘herschrijft’ Biller een verloren gewaande brief van Schulz aan Mann, maar het gaat om de eerste en niet de tweede.

Deze met tekeningen van Schulz geïllustreerde minibiografie bevat een bijtende kritiek op Duitse ‘Geistesmenschen’ als Thomas Mann, die in deze visie de Joden in de steek hebben gelaten. Biller beschrijft hoe (een dubbelganger van) Thomas Mann in 1938 een bezoek brengt aan Drohobycz in Galicië. De daar woonachtige bedreigde Joden, onder wie de in 1942 door een Gestapo-officier vermoorde Schulz, laat hij weten dat híj naar Amerika vertrekt. „We hebben een prachtige villa in Princeton op het oog. (...) Het spijt me dat ik u hier zo moet achterlaten.”

Manns Jozef en zijn broers verscheen onlangs in het Nederlands. Al veel langer beschikken we gelukkig over de schitterende vertaling van Schulz’ Verzameld Werk, waarvoor Gerard Rasch de Nijhoffprijs ontving.

Mooi dat nu ook een aantal gedichten van de Oostenrijkse journalist-romanschrijver Joseph Roth (1894-1939) vertaald is in het Nederlands (door vader en dochter Stefaan en Anke van den Bremt). Ze complementeren het beeld van de ontheemde waarnemer die als geen ander de ondergang van het oude Europa heeft beschreven.

Van zijn, bij leven sporadisch gepubliceerde 130 tot 150 gedichten, zijn er hier 28 uitgekozen op het thema van de Eerste Wereldoorlog, die Roth als soldaat meemaakte en waarvan hij de gruwelijkheid later in zijn romans en reportages heeft vastgelegd.

In de elf reportages, vertaald door Niels Bokhove, herkennen we de rasjournalist die de details van zijn waarnemingen in loopgraven en lazaretten verwerkt tot soms treurig stemmende, soms bloedstollend sarcastische verhalen. Ook in de gedichten trekken de kreupele oorlogshelden voorbij. Soms doen ze aan agitprop denken: ‘Wie drenkte ons in ’t bad van staal/ en hete vuren duizendmaal?/ De keizer en de generaal/ de jonker en het kapitaal’, enzovoort.

Met de bundeling van Alle gedichten en Alle verhalen is Johnny van Doorn (1944-1991) definitief opgenomen in de canon van de Nederlandse literatuur. Van de brutale entertainer Johnny the Selfkicker, die met zijn provocerende klankdichten in de jaren zestig de boel op stelten zette, tot de kwetsbare auteur van intens gevoelige verhalen over onder meer zijn jeugd in Arnhem – de geheel unieke persoon van deze kunstenaar is in deze twee delen te bewonderen. Hopelijk kunnen ook nieuwe generaties zich laten meesleuren in bewondering voor de vrijgevochten figuur, die met zijn ‘geluidsmitraillades’ de autoriteiten ‘met hun weerzinwekkende benepenheid’ te lijf ging. Hij was de voorloper van provo in de literatuur en méér, de Nederlandse Allen Ginsberg. Liefst leze men de gedichten luidkeels, keihard ritmisch brullend, aan zichzelf of anderen voor om de ‘kosmische sensatie’ van de selfkicker na te voelen. Het proza is veel ingetogener, het staat ver af van zijn monomane, bezeten publieke verschijning. Prachtig zijn de Veluwse verhalen waarin Van Doorn weer ‘het bosduiveltje uit zijn jeugd’ wordt.

Zwervend over de Veluwe bezong Johnny van Doorn ook de natuur ... miljoenen konijnenkeutels ... een legertje herten die kuchen als verkouden alcoholisten… ‘Maar aan het frenetieke vogelgefluit hoor ik dat ’t nu tegen het borreluur loopt.’

Ook Koos van Zomeren zwerft over de Veluwe, althans hij maakt wandelingen met de hond, maar nooit is het eens borreluur. Van Zomeren schrijft tegenwoordig als een boekhouder. Hij noteert in Het verlangen naar klapekster [4]precies op welk tijdstip en bij welke weersgesteldheid op welke locatie hij een klapekster heeft waargenomen, vroeger een broedvogel in Nederland, tegenwoordig een zeldzame wintergast. Zoals hij eerder ‘op zoek was naar de woorden die bij hazelworm passen’ zoekt hij nu woorden die bij klapekster passen. De telegramstijl van het dagboek leent zich daar niet goed voor. Toch is dit boek niet saai, tenminste voor wie gefascineerd is door klapeksters of door Koos van Zomeren.