Het geweten van de Volvo-man

Bas van Putten hield van zijn Volvo 850R. De S60 Polestar is minstens zo bronstig, maar het ligt er te dik bovenop.

Mijn eerste snelle Volvo was de 850R van vriend L., die me een proefrit aanbood. Ik kende de R-modellen van Volvo alleen van reputatie. De 850 T5-R – later gewoon R geheten – moest in 1995 de eerste sportieve Volvo voorstellen, een baksteen met ballen: vijfcilinder turbo, 250 pk. Sindsdien stond R voor racen op z’n Zweeds, uitbundig maar beschaafd. De Volvist kocht hem liefst als Estate met hondenrek. Het merkimago bleef onaangetast.

Toch was de 850R de auto die Volvo-klanten van hun grootburgerlijke reserve verloste, een hedonistisch emancipatiemoment. Bevrijd brachten ze hun 850’s naar de tuner, die nog veel meer vermogen uit de turbo’s perste. Dat lot was, naar de acceleratie te oordelen, ook de zwarte van L. ten deel gevallen. „310 pk!”, glunderde hij: „Goed hè?” Overigens reed hij als alle Volvorijders als een heer binnen de marges van de wet. De sprints duurden maar even. Brute kracht is voor de Volvoman beheerste ondeugd.

Intussen was ik zo verrukt dat ik er ook een kocht, een rode R Estate die me volmaakt gelukkig maakte, en de familie ook. Een snelle Volvo is vertier dat je niet aan je vrouw hoeft uit te leggen. Er kunnen kinderen en koffers mee en je blijft Volvomens, een voorbeeldburger. Mijn dochter, die de fluittoon van de rap slijtende remschijven zo liefhad dat ze hem het fluitketeltje noemde, wierp zich huilend op de motorkap toen ik de rode inruilde. Gebroken kocht ik in Zwitserland een goedmaak-R bij een dealer die gelukkig geen idee had wat een R in onze dreven waard was. In Nederland zijn deze Volvo’s uitgegroeid tot cultauto’s waarvoor grif wordt betaald.

In principe ook door mij, ik mis hem dagelijks. Maar goede 850’s zijn nauwelijks meer te vinden, en latere R-modellen als de S60R en de V70R missen de grove charme van het oermodel. Ik weet niet wat Volvo ertoe bracht in 2008 de R-formule af te schaffen, wel dat het een onhoudbare beslissing was. Een premiummerk kan niet zonder eredivisie van hyperbolisch presterende topmodellen: Mercedes heeft de AMG’s, BMW de M-lijn, Audi de S- en RS-modellen. Daar kwam Volvo ook achter. Want nu is er Polestar, een Zweeds tuningbedrijf dat op eigen gelegenheid een handvol Volvo’s zo vernuftig opvoerde dat het merk besloot de heetgebakerde techniek te adopteren voor een nieuwe lichting snelle Volvo’s – met blauw Polestar-logo.

Spoilers

Eerste proeve is de middenklasser die als sedan S60 en als estate V60 heet. De reïncarnatie van het R-gevoel gaat, wees gewaarschuwd, niet gepaard met de terughoudendheid die de hoogopgeleide Volvo-rijder wist te waarderen in het origineel. De strijdbijl blinkt krijgszuchtiger dan ooit. Overal spoilers, velgen als wagenwielen. De karakteristieke, onverwoestbare vijfcilinder week voor een drieliter zescilinder turbo. Typische R-kleuren als cream yellow of saffron keren niet terug, al doet het ‘rebel blue’ van mijn S60 er als visuele provocatie niet voor onder.

We moeten ermee leren leven. De Polestar vergemakkelijkt het aanpassingsproces met een banale overdosis vermogen en trekkracht. Hij maakt het niet zo bont als de snelste Duitsers, maar 350 pk mogen er zijn. Voor wie het niet genoeg is, chipt de Nederlandse tuner die wij R-mannen nog kennen er nog dertig bij.

Anders dan de eerste generatie R’s, die in bochten weinig klaarspeelden, mag je de Polestar een sportieve auto noemen. Het is een vermakelijk onbehouwen gooi- en smijtding dat op niet al te kronkelige B-wegen standhoudt met een tempo dat mijn R onmogelijk had bijgehouden, een bronstig loeien uitschallend dat de moderne Volvo-man van Volvo schijnt te moeten willen. In de uitlaatpijpen zitten klepjes voor een extra ordinaire soundboost, waarvan er boven de 4.000 toeren minstens één open gaat. In de sportstand, die je activeert door de automaatpook een tik naar links te geven, worden het er twee, die de Polestar als een verstopte stofzuiger hysterisch laten gieren. Hoe leuk dat ook mag zijn, het antwoord op de vraag of we dit kinderspel moeten aanvaarden, is het geweten van de Volvo-rijder. Voor zover ik hem ken, zal hij het toch te verwilderd vinden. Voor hem heeft vermogen de andere betekenis die hij voor R-aficionado’s altijd had; de geheime krachtreserve waar hij in het bijzijn van de zijnen met een milde glimlach tegenaan leunt, en die hij op een stiekem ogenblik laat vlammen met het vuur van een verloren jeugd, vijf loeiende seconden lang. Tot 130, regels zijn regels.