Goed, die ruzie tussen Nederland en Turkije

Met zijn opmerkingen over Turkse Nederlanders heeft minister Asscher het integratiedebat op scherp gezet. En dat is maar goed ook, schrijven Froukje Santing en Lily Sprangers.

De Sultan Ahmet Camii moskee in Zaandam Foto ANP

Minister Lodewijk Asscher, belast met integratie, kiest graag voor de aanval om zijn gelijk af te dwingen. Zo ook in de aanpak van Turks-islamitische organisaties in Nederland die volgens hem niet alleen de integratie belemmeren, maar eveneens hun oren laten hangen naar het conservatief-religieuze bewind in Ankara. Na het uitdelen van zo’n typisch Asscheriaanse zweepslag slaagde hij er tot nu toe in om alsnog de dialoog te vinden met individuen en organisaties. Maar de afgelopen twee weken lijkt de bewindsman zijn hand te overspelen. Turkse Nederlanders laten zich niet langer gewillig naar het offerblok leiden, alvorens ze hun mond mogen opendoen. Daarvoor zijn ze teveel Nederlands geworden. Ze willen als gelijkwaardige burgers worden bejegend.

Daarin worden ze gesteund door de regering in Ankara die evenals Asscher de confrontatie opzoekt. Turkse Nederlanders – door Ankara omschreven als „onze onderdanen” – worden gediscrimineerd en zijn het doelwit van xenofobische, islamofobische en racistische beschuldigingen, verklaringen en aanvallen in Nederland. Onacceptabel, aldus het Turkse ministerie van Buitenlandse Zaken.

Met de knetterende ruzie in de afgelopen dagen tussen Nederland en Turkije en de breuk eerder deze maand van twee Kamerleden van Turkse origine met de PvdA lijkt de geest in integratieland definitief uit de fles. En dat is maar goed ook. Want al dat bekvechten heeft een hoop informatie opgeleverd die al lang onder de oppervlakte sluimerde: de toegenomen frustratie van migranten (van hoog - tot laag opgeleid) dat er in het integratiebeleid te weinig ruimte is voor hun eigenheid. De minister hamert op de acceptatie van liberale, individualistische waarden en normen en heeft te weinig oog voor de functionele integratie: onderwijs, werk, het tegengaan van discriminatie.

Hoe ingewikkeld en voor sommigen zelfs onverkwikkelijk het ook mag zijn, de realiteit anno 2014 is dat migranten en hun kinderen veranderen door de Nederlandse context, maar dat ze zich ook blijven verhouden tot hun land van herkomst. Niet voor niets komt er de laatste tijd een stoet aan promotieonderzoek vrij over juist die meervoudige identiteit van migranten. En het is precies de ontkenning in het integratiebeleid van die samengestelde identiteit die de lange arm van Ankara in Nederland zo kansrijk maakt. Er moet toch iemand voor je opkomen.

Roepen tegen Turkije dat zaken die in Nederland spelen in Nederland worden aangepakt, zal dan ook weinig effectief zijn. Bovendien stigmatiseert het onbedoeld ook al die Turkse Nederlanders die niets met Ankara te maken willen hebben, alleen al omdat ze zich ongemakkelijk verhouden tot de religieus-conservatieve en nationalistische wind in het herkomstland. Asscher, en met hem de regering, zal helder moet aangeven tot hoe ver de invloed van Turkije in Nederland reikt.

En hoe ongemakkelijk dat ook voor hem mag zijn, er rest Asscher weinig anders dan tussen de Turkse Nederlanders in te gaan staan. Omdat dat in de afgelopen jaren niet pro-actief is gebeurd, heeft Den Haag veel speelveld aan Ankara gelaten. Hierdoor heeft Asscher tal van Turkse Nederlanders onnodig van zich vervreemd. Mannen en vrouwen die vaak niets moeten hebben van de bemoeienis uit Ankara, maar die tevens ervaren dat ze toch altijd weer als ‘die Turk’ worden weggezet in Nederland.

Maar hun belangrijkste grief is dat ze noch worden benaderd, noch worden behandeld op basis van gelijkwaardigheid. De regering heeft dat er nog eens flink ingewreven door na vijftig jaar migratie te kiezen voor een volkomen wit kabinet. De boodschap is helder: de agenda van Nederland wordt vanuit de beslotenheid van de monocultuur geadresseerd. De houdbaarheidsdatum van die aanpak is door de recente ontwikkelingen nu echt voorbij.