‘Ferguson’ gaat niet over racisme maar over guns

Opnieuw slaat de vlam in de pan in het Amerikaanse stadje Ferguson. Daarbij dringt het woord racisme zich onmiddellijk op. Stephan Sanders ziet een andere factor: het wapenbezit.

Zoals een kogel zijn eigen baan volgt, zo ook lijken de ‘gebeurtenissen’ in Ferguson zich te ontwikkelen volgens een vaststaand scenario. Op 9 augustus werd de 18-jarige Michael Brown gedood door diverse politiekogels, afgevuurd door de blanke agent Darren Wilson, en sinds de uitspraak van de grand jury deze week dat agent Wilson niet vervolgd zal worden, heeft de aangekondigde natuurramp zich dan ook voltrokken – keurig volgens afspraak, zegt de cynicus. Winkels gaan in brand op, de politie treedt met man en macht op en met nog heel wat brutalere middelen, en een zwarte Amerikaanse voorstad krijgt gedeeltelijk het aanzien van een oorlogsgebied.

Eén woord dringt zich bij alle consternatie onmiddellijk op: racisme. Maar stel nu eens dat die term meer verduistert dan verheldert, meer afdekt dan blootlegt, dat we voor een preciezer begrip niet meteen naar ‘racisme’ moeten grijpen, omdat het een begrip is dat verzegelt: etiket geplakt, case closed, geen aanleiding meer voor nader onderzoek.

Michael Brown werd met zijn dood een wereldberucht voorbeeld, maar van wat? Van politiegeweld, van racistisch politiegeweld, van de dooretterende wond van Amerika’s slavernijverleden? Net zoals Rodney King, de Afro-Amerikaan die in 1991 zwaar werd mishandeld door agenten van de Los Angeles politie, had Michael Brown het relatieve ‘geluk’ dat zijn geval werd gefilmd. In Browns geval met mobieltjes, die tegenwoordig standaard aan mensenarmen groeien, zoals we weten.

Wat mij telkens frappeert op die schokkerige filmbeelden: de ontstellende paniek bij de dienstdoende agenten. Het geschreeuw waarmee ze hun verdachte benaderen. De oorlogskreten die ze slaken. ‘Hands up’: het is geen bevel, het is een angstschreeuw. Waar zijn die agenten zo bang voor? Dat de verdachte vuurwapengevaarlijk is – een hele reële angst, zelfs bij de meest onbenullige aanhouding in een land waar het vuurwapenbezit al bijna net zo gedemocratiseerd is als de iPhone.

In St. Louis heb ik meegemaakt hoe een drugsdealer werd gearresteerd. Daar kwamen drie helikopters aan te pas, agenten in de uitrusting van een aanvalsleger en verder klonk en rook alles die avond naar Apocalyps Now.

Een hele wijk wordt zo blootgesteld aan oorlogstaferelen die iedereen traumatiseren; waarschijnlijk was de drugsdealer er nog het minst van onder de indruk.

Die militarisering van de politie heeft alles te maken met het wijdverspreide vuurwapenbezit: ook in arme zwarte wijken zijn alle soorten wapens ruim voorhanden en is het geweldsmonopolie van de staat een brave wensgedachte – geen realiteit. Hele wijken zijn feitelijk opgegeven door het bevoegd gezag; agenten vertonen zich er zo min mogelijk, wat weer zorgt voor een informele hiërarchie van criminelen die het heft in eigen hand nemen.

Wanneer een meerderheid aan blanke agenten toch wordt losgelaten in noodsituaties, is er van alle kanten sprake van blinde paniek – ook bij de dienaren der wet die de paniek zouden moeten beteugelen.

Tel daarbij op het epidemische wantrouwen tussen zwart Amerika en de politie. Ik zal niet snel vergeten dat ik ooit met gekleurde kennissen door Oakland reed, de zwarte stad vlakbij San Fransisco, en wij de weg kwijt waren. Gelukkig zag ik een stilstaande politiewagen, maande de chauffeur te stoppen en wilde het portier openen om inlichtingen te vragen. Van alle kanten werd er nu geschreeuwd: mijn mede inzittenden gilden of ik gek was geworden en ik zag hoe de twee agenten in de auto verstijfden en het ook op een brullen zetten. Met mijn handen omhoog en mijn Britse accent heb ik het gered – een gevalletje dienstverlening, dacht ik.

Afro-Amerikanen krijgen van hun ouders van jongs af aan ingeprent: geef geen aanleiding, maak je klein als je politie ziet, zoek dekking, weet dat jij extra in de gaten loopt. Het Hollandse idee van de politie als inlichtingenservice ben ik daar nooit tegengekomen – ook niet bij de (hogere) zwarte middenklasse. Hier is inderdaad sprake van de doorwerking van een racistisch verleden, toen de politie per definitie een blank bolwerk was en een loslopende zwarte man al even automatisch verdacht.

Inmiddels is ook in Amerika de samenstelling van de politiekorpsen behoorlijk veranderd, maar de achterdocht over en weer kent zulke historische wortels, dat the land of the free nog steeds een welhaast dictatoriale omgang kent tussen burgers en politie.

Er valt misschien wat af te dingen op de martiale status van onze wijkagent – maar wat zou Ferguson daar baat bij hebben.

Het treurige is dat na de rellen in Watts, Los Angeles in 1965 en na de Rodney King-affaire en zijn nasleep in 1991, het drama van Ferguson in 2014 een herhaling van zetten lijkt. Zwart en blank Amerika houden elkaar vast in een ‘mimetische omklemming’: ze spelen gewoontegetrouw het verleden na, als een schaakpartij: ‘Wit is aan zet.’ ‘Nee zwart’. Het land moet zich bevrijden uit dat kleurenschema. Rassenrellen? Ik vraag het me af.

It’s the gun industry, stupid.