Naast DNA bepaalt tijdstip van conceptie iemands levensduur

Het onvindbaar zijn van enig gen voor lang leven bij zeventien 110-plussers blijkt voor menig geneticus een horrorverhaal (NRC Handelsblad, 13 november). Een zelfde constatering kan gelden voor genen die een rol spelen bij constitutionele defecten (zoals gedragstoornissen, schizofrenie) of voor chronische ziekten (hartziekten, diabetes, kanker, etc.). De noodkreet van Henne Holstege dat wij nog maar aan het begin staan van begrijpen hoe genetica de gezondheid beïnvloedt, is exemplarisch.

De vraag zou anders kunnen luiden: zijn er – naast het genoom – niet even bepalende factoren die de levensduur en constitutie beïnvloeden?

Demografe Gabriele Doblhammer van de universiteit van Rostock bevestigde dat levensduur gerelateerd is aan de maand van geboorte; tegengesteld op het zuidelijk en noordelijk halfrond en afhankelijk van de breedtegraad. Dat contrasteert met de erfelijkheidsparadigma’s, maar strookt volledig met de chronobiologie van vogels en zoogdieren en hun voortplanting. Ook de mens heeft een natuurlijk ritme van ei- en zaadcelrijping, gereguleerd door de chronobiologie.

Voor de constitutie en immuniteit, en zeker voor optimale valorisatie van het genoom, blijkt het conceptietijdstip belangrijk.

kinderarts, Antwerpen