Dictaat van Papendal? Bestaat niet!

De beste sporters en coaches op één plek. Dat is volgens NOC*NSF de basis voor succes. „Maar het is geen gebod”, zegt de technisch directeur.

Maurits Hendriks: „Leg mij maar uit hoe de hoge olympische ambities zijn waar te maken zonder de beste sporters en beste coaches op één plek te verzamelen.” Foto Merlijn Doomernik

Maurits Hendriks zit kaarsrecht achter zijn bureau op Papendal. De technisch directeur van NOC*NSF staat op scherp; om alle aanmerkingen te pareren. Kritiek op de centralisatie van sporten? Zijn de alternatieven dan beter? Een jaar met tegenvallende resultaten? Hoe kom je erbij. Uitdagend: „Nooit eerder dan in 2014 zijn zo veel sporten succesvol geweest. Wie anders beweert, gebruikt emotionele argumenten. Kijk naar de feiten.”

Het gaat juist crescendo met de Nederlandse topsport. Progressie te over, beweert Hendriks. En hij doet een greep uit de mand met medailles: schaatsen, shorttrack, paardensport, zeilen, atletiek, turnen, boogschieten, BMX, hockey, wielrennen, zwemmen, beachvolleybal en hij zal er vast één vergeten zijn. Dat roeien en judo, twee van de acht olympische kernsporten die zwaar gefinancierd worden, even een minder jaar hadden,soit. Die golfbeweging houd je nu eenmaal in sport. Kern van zijn weerwoord: het beleid van centralisatie sorteert effect.

En toch stroomden de krantenkolommen over nadat de godfather van het judo, Cor van der Geest, zijn pen in gif had gedoopt. Centrale begeleiding van toptalenten betekent voor judo de nekslag, orakelde de voormalige technisch directeur van de judobond in een open brief. De sport gaat er aan kapot. Zijn de Nederlandse judoka’s niet juist zo goed geworden vanwege de scherpe concurrentie tussen de grote clubs? Ja toch. Nou dan. Hendriks belde Van der Geest, die vervolgens flink inbond. Maar de publieke toon was gezet. Hij is trouwens nog met hem in gesprek.

De judoclubs mogen de centralisatieplannen van de bond voorlopig hebben getorpedeerd en de bond op zijn beurt technisch directeur Ben Sonnemans hebben ontslagen, veel inefficiëntie in die sport is er niet mee verdwenen. Er gaat, om maar wat te noemen, veel reistijd verloren voor (para)medische begeleiding. Op Papendal schudt Hendriks zijn hoofd. Hij zou het wel weten. Let wel, van hem hóeft het niet. Uiteindelijk ligt de keus voor centralisatie altijd bij de sporters zelf. Maar dan niet piepen als NOC*NSF minder steun verleent.

De kracht van het Nederlandse model is in de ogen van Hendriks de bundeling van kennis en arbeid. De CTO’s (centra voor topsport en onderwijs) en NTC’s (nationale topsportcentra) hebben in zijn ogen hun bestaansrecht bewezen. Die werkwijze vormt de basis van veel olympische successen, die overigens nog niet geleid hebben tot de gewenste plaats bij de beste tien sportlanden ter wereld. Daarvoor moeten meer sporten opgestuwd worden. Maar dat gaat lukken als de huidige lijn wordt voortgezet, zegt de technisch directeur en chef de mission voor de Spelen in Rio.

Wat is het grote voordeel van centralisatie?

„Dat de beste sporters en de beste coaches in de beste omgeving kunnen werken. Leg mij maar uit hoe de hoge olympische ambities zijn waar te maken zonder de beste sporters en beste coaches op één plek te verzamelen. Een topsporter heeft te maken met de rest van de wereld; zijn referentiekader zijn Chinezen en Amerikanen. Om die te verslaan moet jouw programma beter zijn. Dan bepaalt de dagelijkse trainingsomgeving of je van hen kunt winnen. Moet een coach reizen tussen zijn sporters? Dat levert niets op. En die lijn kun je doortrekken naar de medische begeleiding. Bovendien: een gefragmenteerde aanpak is onmogelijk te financieren.”

De schaatsers slagen daar wel in. Die zijn groot geworden dankzij de onderlinge rivaliteit. Toch?

„Ja, maar dan praat je over verschillende hoogwaardige omgevingen die door de markt worden betaald. In die sport kan dat. Dan nog is schaatsen meer gecentraliseerd dan je denkt. Voor zomerijs moeten de schaatsers naar Thialf in Heerenveen. Wordt bekostigd door NOC*NSF en de schaatsbond. De analysesystemen zijn alleen in Thialf. Daar is hun infrastructuur.”

NOC*NSF ondersteunt sporten die centraal werken. Op welke gronden?

„Op basis van een heldere visie die moet leiden tot niveauverhoging. Is het realistisch en te financieren? De tijd is voorbij dat we ondersteunen op basis van verdiensten uit het verleden. We willen namen en rugnummers. Om welke sporters gaat het en wat gaan zij doen om de top te bereiken? In die zin is sport grotendeels mathematisch. Vervolgens moet er hard gewerkt worden. Ik noem dat timmeren. In Nederland moet meer getimmerd worden. Wij hebben de rol van toezichthouder. Want de programma’s worden deels betaald uit publieke middelen. Daarvoor dien je je te verantwoorden. Het is ook niet zo, dat we vanaf Papendal een dictaat opleggen. We zijn constant in gesprek met bonden en coaches. Samen stellen we doelen en kijken we naar de voorwaarden voor programma’s.”

Moeten sporters zich ongeclausuleerd neerleggen bij centralisatie?

„Niemand wordt gedwongen. Topsport is een keus, geen verplichting. Het begint bij de intrinsieke motivatie. En dan zie ik bij 99 procent een keus voor de beste coach in de beste omgeving. Zij doorgronden de dynamiek van topsport. En die is: wat voor vandaag goed genoeg is, geldt niet meer voor morgen. Verspreiding leidt tot een inefficiënte dagindeling. Dat is misschien een jaar vol te houden, maar niet de acht tot tien jaar die nodig zijn om de top te halen. Wat vraagt de sport? Welke ondersteuning heb je nodig? Dat lukt niet op verschillende plekken. Op één plek is al lastig; dan moeten alle belanghebbende partijen meedoen. Ik noem maar iets: als de gemeente Amsterdam zich niet inspant voor de Bosbaan kan roeien onmogelijk een hoogwaardig programma afwerken.”

Welke sporten zijn succesvol dankzij centralisatie?

„Atletiek, vooral op de meerkamp. Beachvolleybal, waar allerlei bv’tjes nu onder de bond vallen. Zeilen, helemaal een goed voorbeeld. Verhuisd van Medemblik naar Scheveningen en het succes lijkt structureel te zijn. Of wat te denken van paardensport. Neem eventing. Vier jaar geleden vroeg ik de bondscoach in Boekelo of het niet tijd werd dat hij fulltime ging functioneren. Deze zomer stond Nederland in alle drie disciplines op het WK-podium. En shorttrack natuurlijk. We zijn acht jaar geleden begonnen met een centraal programma en op de Winterspelen werd de eerste medaille gewonnen. Boogschieten komt er aan. Die sport heeft zich zelf gemeld met een duidelijke visie. Zijn voorzichtig begonnen, maar hebben op Papendal een accommodatie waar ze in weer en wind kunnen trainen. En turnen natuurlijk. Daar is een hoogwaardige ploeg tot stand gekomen. Er wordt op twee plekken gewerkt, maar vanuit een centrale visie.”

Over hockey, de sport waar u uit voorkomt, bent u minder tevreden. U was kritisch tijdens het WK in Den Haag ?

„Ik mis urgentie bij de mannen. De vrouwen presteren stabiel en winnen met regelmaat een titel. De mannen mogen hun ambitie wel wat hoger stellen, vind ik. Niet het winnen van een medaille, maar het winnen van goud moet hun doelstelling worden. De laatste grote titel dateert van 2000 op de Olympische Spelen in Sydney.”

Detail: Hendriks was destijds de bondscoach.

En judo?

„Daar gaat het ook om het ambitieniveau. Zij halen in Beijing vijf medailles. Geen gouden. De doelstelling van de bond is twee medailles, ik zou het niet erg vinden als ze daar iets ambitieuzer in worden. Maar het is ook niet zo dat we eendimensionaal sporten op medailles afrekenen. Als dat zo zou zijn geweest hadden we moeten stoppen met shorttrack. We moeten durven investeren, maar dan moet wel de progressie zichtbaar worden gemaakt. Dat doen we door harde afspraken te maken over medailles. En niet door over acht jaar te bellen of je het wel gehaald hebt.”

Uw budget voor ‘Rio’ is op jaarbasis verlaagd van 26,5 miljoen naar ruim 24 miljoen. Blijft centralisatie nog wel betaalbaar?

„Met de nodige creativiteit kunnen we de ambitie lang overeind houden, maar het houdt een keer op. Gelukkig krijgen we extra steun van het ministerie van VWS (Sport), dat in tijden van teruglopende inkomsten uit de markt en tegenvallende Lottogelden de meest betrouwbare financier is gebleken. Een deel van het extra VWS-geld [4 miljoen euro] zetten we in bij het zeilen. Samenvattend denk ik dat we met dit systeem tegen de grens aan zitten. Uit het huidige budget valt niets meer te persen, anders vallen dingen om.”