Al dik zestig jaar laat ik hier de dag op gang komen

„Mijn man is gestopt met werken toen hij 65 was. Hij is hier, in deze stoel, gaan zitten, met links een stapel boeken naast zich en rechts nog zo’n stapel. De hele dag lezen. Boeken en de krant, van voor naar achter.

„Stil zitten is niks voor mij. Ik ben gewoon doorgegaan met wat ik altijd heb gedaan. D’r op uit. Onder de mensen zijn. Dat is mijn leven. En mijn man vond het best. Hij mopperde als ik de hele dag thuis was. ‘Joh, laat me nou...’ Ik wilde dat hij klusjes in huis deed, ik zette hem aan het werk, ik werd er ongedurig van dat hij daar maar de hele dag in die stoel zat.

„Op m’n dertigste ben ik getrouwd, 62 jaar geleden. Mijn man had een groentewinkel, op Rapenburg 90; daar was hij opgegroeid. Ik zei: ‘Denk maar niet dat ik in die winkel ga staan, het zakenleven is niks voor mij – dan moet je ‘ja en amen’ zeggen tegen de mensen, en ik ben recht voor z’n raap.’

„Tien huizen verderop zat een kleermaker, met een stomerij. Die had twee studenten op kamers. Hij vroeg: ‘Kun jij die kamers komen schoonmaken?’ Ik zei: ‘Da’s best.’ Ik werkte in wel meer huizen. Ik was kind aan huis bij verschillende professoren.

„Die kleermaker is toen vertrokken. In dat huis zijn uiteindelijk elf jongens komen wonen: ’t Heerenhoeckje. Allemaal zijn ze lid van Minerva, het corps.

„Tot afgelopen zomer ben ik er vijf dagen in de week geweest, ’s ochtends, van negen tot elf. Tot twee jaar geleden ging ik er op de fiets naartoe. Maar ik durf niet meer te fietsen, ben bang van die jonge ouders met al die kinderen in bakfietsen, ze schieten aan alle kanten langs je heen. Twee jaar ben ik nog met de bus naar de stad gegaan, totdat de route van de bus werd omgelegd omdat ze in de binnenstad aan het werk zijn.

„Voor mij was dat de aanleiding om te zeggen: Heren, ’t is mooi geweest, ik kom niet meer. Toen riepen ze: Nééé, Rie, je móet blijven komen, al is het maar voor twee keer in de week, we sturen een taxi.

„En ja hoor, daar stond opeens een taxi voor m’n deur – werd de Koningin van huis afgehaald... Twee keer ben ik ingestapt. Maar ik zag die taximeter, dik 15 euro heen, en evenveel terug. Ik zei: Jongens, dat gaan we dus niet doen, dan zondig ik tegen m’n eigen principes, dan geef ik jullie het verkeerde voorbeeld. Ik zeg altijd dat zij niet met geld kunnen omgaan, dat ze veel te veel uitgeven, dat ze moeten sparen voor later. En dan zal ik me voor 60 euro in de week laten rondrijden? O nee, dat dus niet, hè!

„Sindsdien halen ze mij met de eigen auto op. Één van die jongens heeft een wagen, en ze lenen d’r wel ’ns eentje.

„Ik weet niet hoe lang we dat gaan volhouden. Het zal wel doodbloeden. Op een dag hebben ze natuurlijk geen zin meer om met mij te lopen sjouwen. En dat is goed, dat is normaal, zo gaan die dingen.

„Maar voorlopig vind ik het wel gezellig. Zolang ik daar de trappen nog op en af kan, stap ik wel in de auto als die voorrijdt. Mijn man is vijftien jaar geleden overleden. Thuis zit ’r niemand meer op me te wachten.

„Al dik zestig jaar zorg ik ervoor dat de dag daar in huis op gang komt. Tussen negen en half tien ruim ik zo’n beetje wat rommel op en zet ik koffie. Om half tien gaan we aan de koffie: met z’n allen, niemand blijft in z’n bed liggen stinken. Ik weet precies hoe ik ze eruit moet krijgen. Met een emmer water of een fles ammoniak sta ik dan naast hun bed en ik zeg: ik waarschuw maar één keer! En daar houd ik me aan. Mét of zonder kater – ze kunnen de volle laag over zich heen krijgen als ze m’n waarschuwing negeren.

„Ja, dat leer je vanzelf in zo’n jongenshuis: als je waarschuwt en vervolgens niks doet, nemen ze binnen de kortste keren een loopje met je. Nou, niet met Rie, dus.

„Tussen half tien en tien drinken we koffie. Dan komen de verhalen los. Heerlijk vind ik dat. Je hoort nog ’s wat. Ik hou van mannenpraat. Geklets van vrouwen – over jurken en sieraden en mannen – vind ik niks. Op feestjes zit ik ook altijd bij de mannen. Die zijn een open boek. Die vertellen je alles. En ze weten: ik roddel niks door, alles blijft binnen de muren van het huis.

„Om tien uur jaag ik iedereen van tafel. Hup, onder de douche, naar college, aan de studie! Dan stofzuig ik nog wat hier en daar. En ik controleer of ieder z’n taak in huis wel heeft gedaan. Volle vuilnisbak niet geleegd en het was jouw beurt? Ik gooi die zak leeg in hun kamer. Dan vergeten ze ’t geen tweede keer.

„Ach, jonge mensen om je heen – het houdt me jong. Het zijn over het algemeen hele aardige kerels. Vroeger waren het heren, hielden ze toch iets meer afstand tot iemand als ik. Tegenwoordig zijn het gewoon leuke knullen.

„Wel vind ik dat de jongelui te gemakzuchtig zijn. Ze studeren niet meer zo serieus, hoewel dat met die studielening wel weer zal aantrekken.

„En ik vind dat ze veel te makkelijk in de val van meiden trappen. Na één avond ‘op de tent’ (sociëteit, red.) duiken ze al met zo’n sloerie in bed. Vaste vriendinnen heb ik niks op tegen. Dan kom je hier eerst maar ’s een tijdje over de vloer, je stelt je netjes voor – da’s best. Maar niet meteen dat gerotzooi onder dit dak. Ik jaag die meiden het huis uit. Heb ik altijd gedaan.

„Van de zomer riep een jongen hier in huis tegen mij: ‘Rie, waar bemoei jij je mee?’ Ik zei: ‘Je weet wat hier boven de voordeur staat, ’t Heerenhoeckje. D’r staat niet: ’t Hoerenhoeckje. Duidelijk?

„Ja, regels zijn regels. Simpel zat. Maar verder ben ik niet streng, hoor. Ik drink graag een biertje met ze mee. Altijd gedaan. Gewoon, gezellig.”