Aan het Duitse infuus

De Eemshaven is stroomknooppunt van Nederland. Maar de lokale industrie aast op goedkope stroom uit Duitsland.

Hoogspanningsmasten en windmolens in de Eemshaven in Groningen, waar stroom uit gas, steenkool, biomassa en windmolens bij elkaar komt. Foto’s Sake Elzinga

De Eemshaven heeft alles te bieden wat de moderne stroommarkt nodig heeft: een directe hoogspanningsverbinding met Noorwegen, centrales waar stroom wordt opgewekt uit gas, steenkool en biomassa. En daartussenin verschillende windmolenparken. De wirwar van draden, verbindingen en molenwieken symboliseert de moderne stroommarkt die alle vormen van opwekking bij elkaar brengt, tegen de laagste prijzen.

Maar die markt werkt niet zoals zou moeten, stelt Cas König van chemiebedrijf ESD, in het nabijgelegen Delfzijl. Hij kan met zijn bedrijf, dat siliciumcarbide produceert, niet op tegen de concurrentie uit Duitsland, aan de andere kant van de Eems.

Samen met de failliete aluminiumsmelter Aldel wil hij daarom – met steun van havenbedrijf Groningen Seaport – een eigen directe verbinding aanleggen naar Duitsland. De energie-intensieve bedrijven hopen zo mee te kunnen profiteren van de lagere stroomprijzen die in Duitsland gelden voor de grootverbruikers.

Een eigen lijntje naar het stroomwalhalla voor grootgebruikers in Duitsland, buiten het bestaande net om – het lijkt te mooi om waar te zijn. Ondanks het enthousiasme van de betrokken bedrijven en de vakbonden, is het dan ook nog lang niet zeker dat de verbinding er ook komt. Pas over een jaar zal duidelijk zijn of het haalbaar is.

De eerste horde is de Duitse toezichthouder, de Bundesnetzagentur. Die moet toestaan dat de Duitse voorwaarden ook voor Nederlandse bedrijven gelden. En dat ligt volgens topman Mel Kroon van netbeheerder Tennet niet voor de hand. „De totale kosten om stroom te maken zijn in Duitsland helemaal niet lager, maar juist veel hoger. Dit vanwege een forse subsidie op duurzame energieproductie. De bedrijven die een directe lijn willen aanleggen, zeggen in feite: doe mij ook wat van die prijssubsidie die bij jullie plaatsvindt.”

Prijsvorming

Kroon wijst op het verschil tussen de prijs waartegen de Duitse energie op de stroombeurs wordt aangeboden en de werkelijke kostprijs. Het beursmechanisme is in Nederland en Duitsland hetzelfde. De beursprijs wordt bepaald door de speler die de laatste hoeveelheid stroom produceert die vereist is om de balans op het net te houden. In Nederland is dat meestal een gascentrale die de relatief hoge kosten van gas moet doorberekenen. In Duitsland wordt de prijs vaak bepaald door wind en zon. „En dat kost niks om te produceren, waardoor de prijs op de Duitse stroombeurs vaak heel erg laag is”, aldus Kroon.

Dat de aanleg van al die wind- en zonne-energie zwaar gesubsidieerd wordt, dat de Duitse overheid daar jaarlijks tientallen miljarden euro aan kwijt is en dat een groot deel van de kosten wordt afgewenteld op de consument die een speciale opslag moet betalen, is een ander verhaal, het verhaal van de Energiewende.

In de Duitse stroomprijs zie je dat verhaal niet terug. En je ziet ook niet dat Duitse energie-intensieve bedrijven nauwelijks hoeven mee te betalen aan de kosten van de Energiewende. Waarom zou de Duitse consument/belastingbetaler het goed vinden dat Nederlandse bedrijven meegenieten van deze specifieke voordelen?

Kroon ziet de oplossing eerder in nog meer interconnectie, waarvan álle bedrijven en consumenten profiteren: hoe meer verbindingen tussen landen, hoe kleiner het prijsverschil. NorNed is het voorbeeld: de kabel die Eemshaven met Noorwegen verbindt. In 2008 heeft Tennet de onderzeese kabel getrokken, samen met de Noorse netbeheerder Statnett. De Noorse en de Nederlandse stroomvraag blijken elkaar perfect aan te vullen.

Overdag is de vraag naar stroom in het dichtbevolkte Nederland groter, waardoor de prijs stijgt. De goedkope elektriciteit uit de Noorse waterkrachtcentrales stroomt dan door de 580 kilometer lange kabel in zuidelijke richting. Als het donker wordt, gaat het in omgekeerde richting. Dan schiet de Noorse vraag omhoog als de Noren thuis komen, het licht aandoen en de elektrische gestookte verwarming opdraaien.

De techniek die dit mogelijk maakt, is indrukwekkend. Aan de Noorse kust zakt een stroomkabel 300 meter diep de fjord in, om in de Eemshaven weer boven water te komen. Een woud van transistoren en thyristoren bepaalt de richting van de energie. In een half uur tijd kunnen zij de richting van de elektriciteit veranderen. Zo zou de Europese markt er volgens de netbeheerder uit moeten zien.

De aanleg heeft ruim 600 miljoen euro gekost, waarvan inmiddels tweederde is terugverdiend. Dat doen de netbeheerders door middel van capaciteitsveilingen: wie stroom wil vervoeren door de kabel moet capaciteit kopen. Tennet rekent erop dat de kabel een jaar of veertig meegaat en zich dus dubbel en dwars zal terugbetalen.

Nederland is nu al het best verbonden land ter wereld: grensoverschrijdende verbindingen kunnen ruim 20 procent vervoeren van wat in Nederland geproduceerd wordt. Tennet gaat daar nog het nodige aan toevoegen. Er staan nieuwe verbindingen over land op stapel met Duitsland en België, en er komt een kabel door zee naar Denemarken. En dat is niet omdat we zelf zoveel stroom nodig hebben, zegt Kroon. „Leveringszekerheid is niet direct een vraagstuk. Het gaat puur om de prijsverschillen. We willen een efficiënte elektriciteitsmarkt.”

Stroomslurpers

Maar dat duurt de industrie in Delfzijl allemaal te lang. De stroomslurpers Aldel en ESD willen meteen aan het Duitse infuus. De aluminiumsmelter heeft de deuren al gesloten en hoopt een doorstart te maken op basis van de Duitse elektriciteit. Ook ESD kan het hoofd nauwelijks boven water houden en heeft de productie al eens naar de nacht verplaatst omdat de stroomprijzen dan lager zijn. „De elektriciteitsmarkt werkt niet”, zegt ESD-topman Cas König. Er zitten wat hem betreft veel te veel obstakels op de lijn. Bijvoorbeeld het geld dat Tennet verdient op de interconnectie. Dat is volgens König een „tolheffing” die de prijs nodeloos opdrijft.

Het gegeven dat Tennet de opbrengst uit de interconnectie in een aparte pot zet en aanwendt om weer nieuwe grensoverschrijdende verbindingen aan te leggen, overtuigt hem niet: „Daar wordt meer geld verdiend dan wordt uitgegeven.” Overigens wil König weinig kwijt over het verschil tussen de stroomprijs die hij nu betaalt en de prijs die hij straks hoopt te betalen voor de Duitse stroom. Anders dan dat het om „substantiële verschillen” gaat.

De totstandkoming van een Europese elektriciteitsmarkt verloopt moeizaam zolang buurlanden als Nederland en Duitsland een verschillend energie- en industriebeleid voeren en verschillende subsidies hanteren. De plannen voor de directe lijn naar Delfzijl tonen precies aan waar het wringt. De afgelopen jaren zijn al verschillende stappen gezet in de richting van meer samenwerking. De elektriciteitsbeurzen van Nederland, België, Frankrijk en Duitsland zijn al aan elkaar gekoppeld. Leveranciers kunnen al dagelijks boodschappen doen op de buurmarkten. Maar een gezamenlijk Europees energiebeleid met gezamenlijke subsidieregels ontbreekt. Voorlopig is het voor ieder land: eigen industrie eerst.

Hans Grünfeld, directeur van VEMW, belangenbehartiger van zakelijke energie-afnemers, noemt de plannen voor de aanleg van directe lijnen zoals tussen Duitsland en Delfzijl „de dood in de pot voor de interne markt”. Al vindt hij het „begrijpelijk” dat de bedrijven in uiterste noorden van Groningen een „noodverband” willen aanleggen om het hoofd boven water te houden. Tennet-topman Kroon maakt nog andere kanttekeningen. De Groningse ondernemers zullen de lijn zelf moeten financieren, aanleggen en onderhouden. „Als een anker in de Eems die kabel stuk trekt, zullen ze die zelf moeten repareren.”