Waarom toch het slimste jongetje van de klas zijn?

Op de persoonlijke vorming van de mens grijpt deze Amerikaanse filosofe in haar boek over de weg naar volwassenheid vooral terug op de wonderen van de Verlichting-denkers. Hoe zit het met de moderniteit?

Foto Thinkstock

De titel Waarom zou je volwassen worden? lijkt een retorische. Want: is er een keuze? Filosofe Susan Neiman (1955) heeft een even verrassend als kort antwoord: ‘Omdat het moeilijker is dan je denkt,’ en ter verklaring: ‘De meeste mensen worden gelukkiger als ze ouder worden, omdat ze beter hebben leren omgaan met hun teleurstellingen’.

Neiman voert Peter Pan en Michael Jackson op als zinnebeelden voor het gevoel van onbehagen dat jonge mensen bekruipt bij het vooruitzicht ouder te zullen worden, en gebruikt dat als uitgangspunt voor een pleidooi voor een levenslange maar nooit geheel te voltooien geestelijke groei naar mondigheid.

Ze neemt daarbij de culturele ontwikkeling die in de Verlichting is begonnen en tot op heden voortduurt als model voor de persoonlijke vorming. Via de verschillende levensfasen – geboorte, jeugd, puberteit, adolescentie, volwassenheid, ouderdom – moet dat leiden tot een ‘zelfstandige geest’ die niettemin zijn (sociaal-politiek-economische) jeugddromen heeft behouden. Daarbij steekt Neiman haar bewondering voor Verlichtingsfilosofen als Immanuel Kant – ‘een nalatenschap die we bijzonder moeten koesteren’ – en Jean-Jacques Rousseau niet onder stoelen of banken.

Hannah Arendt

Haar voorkeur gaat niet alleen uit naar het met de Verlichting (of moderniteit) verbonden optimistische vooruitgangsgeloof. In plaats van op de sterfelijkheid legt ze, net als de Joodse filosofe Hannah Arendt, de nadruk op de menselijke ‘nataliteit’ of ‘geboortelijkheid’ als een belofte. Tegelijk maakt ze van de gelegenheid gebruik om de essentie van het werk van haar favoriete denkers – Kants Kritieken en Rousseaus opvoedingstraktaat Emile – op een uiterst toegankelijke en met vaart geschreven wijze uiteen te zetten.

Filosofisch gezien, stelt Neiman, ontwikkelen we ons van de dogmatiek van baby’s en jonge kinderen – die alles voor zoete koek aannemen en van geen andere mogelijkheden weten – via pubers en adolescenten – die als onvermoeibare sceptici niets willen aannemen en alles maar dan ook alles in twijfel trekken – tot evenwichtige volwassenen die kunnen genieten van iedere seconde, weliswaar in het volle besef dat het leven eindig is, maar dat niet meer ervaren als verraad en daarom als betrekkelijk gelukkige bejaarden kunnen sterven. De drie activiteiten die ons voortdurend bij die ontwikkeling moeten steunen zijn opleiding, reizen en werk.

Neiman benadert haar onderwerpen meestal met de nodige distantie, maar een enkele keer laat ze zich meeslepen door haar eigen gemoed en neemt ze een te persoonlijke positie in. Als ze de wonderen van het Verlichtingsdenken wil aantonen zet ze niet alleen Kant en Rousseau in het zonnetje, maar noemt ze de voorgaande periode met enig dedain pre-modern, alsof die geen eigen positieve kenmerken zou hebben, en, nog kwaadaardiger, de reactie erop postmoderne – in haar opvatting puberaal sceptische – argwaan. Ze vindt het dan ook zeer onheus dat het Verlichtingsdenken volgens sommige hedendaagse filosofen is ontspoord en de ‘schuld’ krijgt van de Holocaust en milieuproblematiek, maar voegt zelf niets toe aan de discussie tussen de ‘moderne’ en ‘postmoderne’ denkers zoals die in de laatste decennia van de vorige eeuw is gevoerd. Maar van ‘schuld’ aan die crises is in het postmoderne vertoog nooit sprake geweest, wel van verbondenheid als oorzaak en gevolg.

Geestelijk sparren

Een centraal thema van het boek is dat een volwassene moet leren de kloof tussen zijn (de wereld zoals die met alle beperkingen nu eenmaal is) en behoort te zijn (in onze jeugdige dromen) niet alleen te erkennen maar ook te respecteren. Een van de opmerkelijkste adviezen die Neiman meegeeft om die staat van volwassenheid te bereiken is de situaties te mijden waarin je ‘het slimste jongetje van de klas’ bent, omdat het geestelijk sparren met lichtgewichten je weinig kennis en inzicht zal verschaffen. Een ander advies is vooral niet te veel op het internet te zitten, omdat dat in eenzelfde relatie staat tot echt handelen, als fast food tot een goed bereide warme maaltijd.

Geen grootse slotsom: minder internet, minder haast, en meer bezinning. En er valt wel wat op af te dingen, want dat Kant al vijfentwintig jaar voor zijn dood met zijn geestelijke en lichamelijke gezondheid kwakkelde, vruchteloos proberend wat eenheid in zijn drie Kritieken aan te brengen, daaraan besteedt Neiman in dit verband begrijpelijk geen aandacht. Buiten dat en de ‘schuld’ van de moderniteit staat er eigenlijk niets verkeerds in het boek, maar ook niets dat al niet eerder door haar land- en vakgenoten Paul Feyerabend, Richard Rorty en Martha Nussbaum is beweerd, en dat maakt het geheel tamelijk obligaat.