Column

Veel hoon in eindfase van de Zwarte Jaren

Activist Quinsy Gario in ‘Oog in Oog’ (KRO).

Hoe raar het ook klinkt, ik word eigenlijk heel optimistisch van dit roerige jaar, waarin gebeurtenissen en uitspraken almaar radicaler lijken te worden. Je kunt in al die vaak onweersproken haatgevoelens (jegens bankiers, moslims, Israël, Europa, Zwarte Piet en activisten tegen Zwarte Piet) de ondergang van het Avondland waarnemen, maar ik ervaar het eerder als de eindfase van een pikzwarte periode, die begon met de aanslagen op het World Trade Center, Fortuyn en Van Gogh. Om verder te kunnen moet nu eerst alle etter uit de wonden, aan beide kanten van de scheidslijnen.

Positief is dat weinig ressentimenten meer ondergronds blijven. Je wordt niet meer gek verklaard als je durft te beweren dat ook in Nederland racisme bestaat. Steeds vaker treden geminachte minderheden, van pestslachtoffers tot vrouwelijke voetballers, uit de schaduw en eigenen zich een heldenrol toe.

De helden van gisteren heten onder meer Vivianne Miedema (18-jarige spits van Bayern München, schoot het Nederlands vrouwenelftal tegen alle verwachting met twee doelpunten naar het WK) en Coosje Smid, actrice en zangeres, die in Pauw bekende dat ze als 15-jarige zelfdoding en moord had overwogen om een einde te maken aan het gepest op school.

Naast trots tref je bij de nieuwe helden ook vaak hoon aan. Kijk maar eens hoe de uit de PvdA getreden Kamerleden Tunahan Kuzu en Selçuk Öztürk hun plaaggeest Jan Roos dagelijks in PowNews trotseren. Of naar het antwoord van Haci Karacaer, voormalig bestuurslid van Milli Görüs, in Nieuwsuur op de vraag van Twan Huys of veel Turkse Nederlanders zich tweederangsburgers voelen: „Ik zou zeggen: goedemorgen!”

Maar de kampioen in het uitdagen van xenofobie en establishment is kunstenaar Quinsy Gario, die met de door hem als kunstwerk begonnen actie Zwarte Piet Is Racisme uitgroeide tot zo ongeveer de meest gehate Nederlander.

Gisteren werd hij voor Oog in Oog (KRO) geïnterviewd door Sven Kockelmann, die er nauwelijks greep op kreeg. Gario gebruikte te vaak het woord ‘aangeven’, maar won het debat op dossierkennis, de weigering zich aan te passen en gezellig mee te doen - en door zijn onaantastbare houding. Kockelmann ging er bijna van stotteren en moest uiteindelijk teruggrijpen op het argument van het kinderfeest. Gario: „Welke kinderen? De kinderen die huilend naar huis renden om het zwart van hun armen te schrobben?” En soms lachte hij Kockelmann gewoon uit, met lange hinnikende uithalen. Onaardig, maar zeer effectief.