Terug naar het bebloede Utøya

Op basis van gesprekken met overlevenden, officiële onderzoeken en getuigenissen reconstrueerde deze Noorse schrijfster Breiviks massamoord op het eiland Utøya. Er ontstond een aangrijpend ooggetuigeverslag.

Kaarsen en bloemen op het Noorse eiland Utøya op 26 juli 2011, vier dagen na Breiviks massamoord Foto EPA/Joerg Carstensen

Je hoeft geen Noor te zijn om enige weerzin te moeten overwinnen voor je een boek gaat lezen over de terrorist Anders Breivik en het bloedbad dat hij in 2011 aanrichtte. Wie heeft er zin in een uitstapje van meer dan vijfhonderd pagina’s naar de hel?

De grote lijnen van het verhaal zijn wel bekend. Breiviks haat tegen immigranten, de hele multiculturele samenleving en de sociaal-democraten die zo’n groot stempel op Noorwegen hebben gedrukt. Zijn ongelukkige jeugd, zijn ijdelheid en zijn fantasiewereld van ridders die Europa eens zullen bevrijden van immigranten en het ‘cultuurmarxistische’ juk.

En dan natuurlijk zijn terreurdaad: eerst een bomaanslag op een regeringsgebouw in Oslo, en enkele uren later de koelbloedig uitgevoerde massamoord op het eilandje Utøya, waar de jongerenbeweging van de Arbeidspartij haar jaarlijkse bijeenkomst hield. Het resultaat van die dag: 69 doden (voor het merendeel jongeren), tientallen gewonden en een ontredderde natie.

Maar Åsne Seierstad is een voortreffelijk journalist en begaafd schrijfster, bekend van haar boeken uit oorlogsgebieden als De boekhandelaar van Kaboel en De engel van Grozny. Ze wordt terecht geroemd om haar oog voor het menselijke en alledaagse in extreme situaties. Een van ons is haar eerste boek over haar eigen land.

Als je nieuwsgierigheid het wint van je afkeer, word je meteen op de proef gesteld. Zonder enige inleiding dropt Seierstad haar lezers al op de eerste bladzijden midden in het bloedbad. Zo’n beetje zoals Steven Spielberg in het eerste half uur van Saving Private Ryan zijn publiek in het rauwe oorlogsgeweld van de invasie van Normandië stort. Bij die film weet je tenminste nog dat de slachtpartij uiteindelijk leidde tot de bevrijding. Op Utøya was het bloedvergieten alleen maar zinloos.

Onbestemd gevaar

In korte, soms struikelende zinnen sleurt Seierstad je mee met de angstige tieners het rotsige eiland over, op de vlucht voor wat dan nog een onbestemd gevaar is, over de drassige hei, door het bos, over het weggetje dat generaties sociaal-democraten leerden kennen als het Liefdespad. ‘De schoten klonken nu scherper. Wie schoot er? Met hoevelen waren ze? Ze kroop heen en weer over het Liefdespad. Ze was niet de enige. Het was nu te laat om weg te rennen. „We moeten gaan liggen en doen of we dood zijn”, zei een jongen.’

Het is misschien journalistiek effectbejag, maar het is ook de werkelijkheid van die regenachtige julidag, gereconstrueerd op basis van gesprekken met overlevenden, officiële onderzoeksrapporten en getuigenissen uit het proces tegen Breivik. ‘Hij liep met bedaarde passen door de heide. Zijn laarzen zonken weg in de aarde, vertrapten grasklokjes, rolklaver en vlinderbloemen. Een paar vermolmde takken braken onder zijn voeten. Zijn huid was bleek, nat, zijn ogen waren licht. Hij had zijn dunne haar over een beginnend maantje naar achteren gestreken. Zijn bloed zat vol coffeïne, efedrine en aspirine. Tot dusver had hij tweeëntwintig mensen vermoord op het eiland.’

En zo gaat het vijf pagina’s lang verder: kogels gieren door de lucht, doorboren schedels en lichamen, er klinkt gefluister, gesmeek, geschreeuw, gekreun en gejammer, mobieltjes gaan af zonder dat ze opgenomen worden. ‘De man op het pad joelde. “Vandaag gaan jullie er allemaal aan, marxisten!” Hij tilde zijn wapen weer op.’

Na zo’n dramatische opening is het bijna een opluchting om vervolgens te belanden in de eenzame jeugd vol conflicten van Anders Behring Breivik, geboren in 1979 als zoon van een verwarde hulpverpleegkundige en een afstandelijke, elf jaar oudere diplomaat. Het huwelijk valt al na een half jaar uiteen, de moeder, de kleine Anders en een vier jaar oudere dochter uit een eerder huwelijk slagen er maar moeizaam in een enigszins functionerend gezinnetje te vormen.

De vader verdwijnt vrijwel volledig uit het leven van Anders. Het jongetje is lastig en agressief, de moeder kan hem niet meer aan en zoekt opvang bij tijdelijke pleeggezinnen. De kinderbescherming en een psychologisch observatieteam komen eraan te pas om te zien hoe het gezin weer op de rails gezet kan worden. Het levert weinig op, behalve gedetailleerde rapporten die Seierstad een kwart eeuw later helpen een beeld te schetsen van een jochie zonder levensvreugde dat zich afgewezen voelt door zijn afwezige vader en zijn gefrustreerde moeder, die hem tot zondebok maakt voor al haar frustraties.

Hoe overtuigend Seierstad het leven van Breivik ook schetst, er kleeft een nadeel aan haar aanpak. Omdat we de afloop kennen, krijgt ieder detail een loodzware betekenis. Buurmeisjes vonden de kleine Anders maar eng, hij was een pestkop en gemeen tegen dieren, op de trap voor het huis drukte hij met zijn vingers mieren dood – kortom, een nietsontziende terrorist in de dop!

Dat maakt het boek tot een bijna ondraaglijke kroniek van een aangekondigd bloedbad. Alles staat in het licht van het grote onheil dat Breivik zal aanrichten – alsof dat al vanaf zijn geboorte onafwendbaar was. Terwijl juist de momenten zo boeiend zijn waarop zijn leven even een hoopgevende wending krijgt: als eindelijk, zij het heel kort, een volwassene zich liefdevol over hem ontfermt (de derde vrouw van zijn vader); als hij vriendschap sluit met een klasgenoot (een Pakistaanse jongen nog wel, die op school Bruine Kaas wordt genoemd); of als hij eindelijk deel uitmaakt van een vriendengroepje (jongens die ’s nachts op prominente plaatsen in de stad hun graffiti aanbrengen). Had het allemaal ook anders kunnen lopen?, denk je dan.

Liefdespad

Bijzonder sterk in het boek is dat Seierstadt het levensverhaal van Breivik afwisselt met de sterk contrasterende levensverhalen van enkele van zijn jonge slachtoffers: opgewekte, idealistische leden van de jongerenorganisatie van de Arbeidspartij. Ze hebben niet allemaal een makkelijker leven gehad dan Breivik. Zo is er het hartverscheurende verhaal van de Koerdische Bano (18), met haar ouders en zusje uit Irak gevlucht voor het geweld van Saddam Hussein. Ze wilde er in Noorwegen zo graag bij horen, dat het haar liefste wens was op de nationale feestdag in Noorse klederdracht te lopen. Ze stierf op het hobbelige Liefdespad, nadat Breivik van dichtbij enkele kogels door haar hoofd had geschoten.

Seierstad beschrijft, maar analyseert nauwelijks. Dat geeft haar boek de kracht van een aangrijpend ooggetuigeverslag. Maar een belangrijk element van het drama komt er daardoor bekaaid af: de politieke verantwoordelijkheid van de regering van de (sociaal-democratische) premier Stoltenberg voor het volledig falende optreden van politie en anti-terreurbrigade op de dag van de dubbele aanslag.

Het is hemelschreiend om in Een van ons te lezen, zoals een onafhankelijke onderzoekscommissie al eerder vaststelde, dat de politie talloze kansen heeft gemist om Breivik tijdens zijn moordpartij te stoppen – en zo het aantal slachtoffers te beperken. Stoltenberg heeft daar in het parlement zijn excuses voor aangeboden, maar hoefde niet af te treden en is sinds 1 oktober secretaris-generaal van de NAVO.

Breivik is veroordeeld tot de maximale gevangenisstraf van 21 jaar. Spijt heeft hij niet betuigd. Hij was opgelucht dat hij niet ontoerekeningsvatbaar werd verklaard – want hij beschouwt zijn actie als een politieke daad. Hij wilde niet met Seierstad spreken, heeft hij haar in twee brieven laten weten. ‘Met narcistische en revolutionaire groeten.’