Surinaamse Den Uyl met een missie

De onafhankelijkheid van het etnisch zo diverse Suriname was voor deze politicus een ‘historische opdracht’. Het lukte hem, maar een niet nagekomen belofte en de militairen werden hem later noodlottig.

Premier Henck Arron spreekt bij de opening van een woningbouwproject in de buurt van Paramaribo Foto Anefo

Het zou een scène uit een spannende film kunnen zijn: de door een coup afgezette premier van een ex-kolonie zit gevangen in een kazerne; vanuit z’n celraampje ziet hij met grote regelmaat de militair attaché van het ex-moederland langslopen die op bezoek gaat bij de nieuwe machthebbers. Het overkomt Henck Arron tijdens zijn gevangenschap in de Memre Boekoe-kazerne, in 1980. Daar kijkt hij ook de dood in de ogen bij een schijnexecutie, wanneer hij en anderen (ten onrechte) worden verdacht van betrokkenheid bij een mogelijke coup tegen het regime van Desi Bouterse.

Het zijn maar enkele van vele scènes die zich lenen voor een B-film over Suriname: de Decembermoorden (de executie van vijftien opposanten van Bouterse); een binnenlandse oorlog met de fotogenieke Brunswijk als rebellenleider, een moordverdachte/drugscrimineel die door het parlement tot president wordt gekozen.

In dit getroebleerde land, met etnische tegenstellingen, was Henck Arron (1936-2000) premier, later vicepresident. Hij leidde Suriname in 1975 naar onafhankelijkheid. Het is de belangrijkste episode die de Leidse historicus Peter Meel in de politieke biografie Man van het moment behandelt. Alle tegels zijn gelicht. Behalve die ene waaronder Nederland geheime documenten over de rol van de militaire attaché bij de coup tot 2060 verbergt – tot ergernis van (niet alleen) de auteur. Ruim honderd personen werden geïnterviewd. Ook Arron – in het jaar van zijn dood.

Astrologie

Meel ontzenuwt mythes en verheldert gebeurtenissen. Zo was er het hardnekkige gerucht dat parlementslid George Hindori van de Hindostaanse partij VHP door Nederland was omgekocht, waardoor een parlementaire meerderheid vóór onafhankelijkheid ontstond; ook zou minister Pronk een affaire met de nicht of zuster van Hindori hebben gehad, wat diens overlopen zou hebben bewerkstelligd.

In een smakelijke anekdote legt Meel uit hoe het echt zat. Als liefhebber van psychoanalyse had Arron het gedrag van de wat atypische Hindostaan Hindori goed bestudeerd. Die speelde tennis naast Arrons kantoor. Hij liet eerst zijn woordvoerder op de tennisbaan ‘luchtige gesprekjes’ leidend ‘naar een climax’ met Hindori voeren om daarna ‘het vogeltje in de klep te krijgen’. Arrons interesse in parapsychologie leidde er toe dat hij de onafhankelijkheidsdatum van Suriname – 25 november – astrologisch liet bepalen.

Voor Arron was onafhankelijkheid een ‘historische opdracht’. Bij de aanvaarding van het NPS-voorzitterschap in 1970 bepleitte hij als oppositieleider die onafhankelijkheid binnen vijf jaar – een reactie op de ‘eeuwige geleidelijkheid’ van VHP-leider Jaggernath Lachmon, die zei dat er de komende 25 jaar van onafhankelijkheid geen sprake kon zijn. De aankondiging in 1973, zo laat Meel zien, was dan ook minder verrassend dan menigeen suggereerde. Arron greep zijn kans in dat verkiezingsjaar toen de (Creoolse) NPS zonder VHP een kabinet kon vormen – met de links-nationalistische PNR. Op de valreep trok hij Lachmon over de streep bij de stemming over de grondwet. Met onder meer de belofte van verkiezingen binnen acht maanden.

Het breken van die belofte was zijn grootste fout. Hij verspeelde daarmee de kans om de nationale leider van het etnisch diverse Suriname te worden. Consolidatie van eigen positie en partijbelang hadden kennelijk prioriteit. Meel maakt gehakt van Arrons verdediging dat verkiezingen de raciale vrede in Suriname in gevaar zouden hebben gebracht. Het tegendeel was waar: de gebroken belofte voedde etnische spanningen. De ‘Bijlmerexpres’ met emigranten was al op gang.

Hoe kon Arron, als sterk ethisch georiënteerd politicus met een oog voor het algemeen belang, zo’n kapitale fout maken? Meel draagt elementen ter verklaring aan. Die liggen ook in Arrons persoonlijke geschiedenis: hij was de oudste zoon van een kinderrijk katholiek gezin. Zijn vader was politieman met een gefnuikte carrière; diens vroege dood legde extra verantwoordelijkheid bij de oudste zoon, die het verder wilde schoppen dan zijn vader. Arron viel op school en bij verenigingsactiviteiten op door zijn spreektalent en leiderskwaliteiten. Jopie Pengel zag in hem snel zijn potentiële opvolger. Op z’n 27-ste werd hij parlementslid. In Nederland had hij toen al een bankiersopleiding gevolgd.

Twijfel over zijn terugkeer kende hij nooit. Want Arron had een missie. De biograaf ziet – niet ten onrechte – verwantschap tussen Arron en Nederlands premier Den Uyl, die elkaar ook bij hun harde onderhandelingen over het ontwikkelingsverdrag (1,6 miljard euro hulp) aanvoelden. Hun drijfveren waren gelijk. Ook Arron was een sociaal-democratisch georiënteerd politicus, bij wie emancipatie van Surinamers voorop stond. Beiden schuwden zonodig de polarisatie niet.

Populisme

Arron miste het populisme dat zijn voorganger Pengel tot man van het volk maakte. Zo verheelde hij nooit dat eigen inspanningen nodig waren om Suriname ook economisch zelfstandig te maken. Hij gaf met zijn sobere levensstijl het voorbeeld – met vrienden vissen op een bootje was z’n grootste plezier. Pogingen van Bouterse cum suis hem veroordeeld te krijgen voor corruptie leidden slechts tot hilarische scènes bij het gerecht. Zo zou Arron op staatskosten een tuinman hebben; toen de rechter op Arrons verzoek diens uiterlijk omschreef, antwoordde hij:‘dat was ik zelf’.

Arrons comeback als vicepresident, na verkiezingen in 1987, zat vol tragiek. Militairen regeerden vanuit de coulissen mee, de binnenlandse oorlog frustreerde economische ontwikkeling en Den Haag stelde hardere hulpvoorwaarden. Arron was ook teleurgesteld in de bevolking die hij ‘egoïsme’ en ‘onvoorstelbaar slordige’ omgang met democratie en rechtsstaat verweet. Na een nieuwe coup, Kerst 1990, en nieuwe verkiezingen was het met zijn politieke carrière gedaan. Hij bleef de ‘man van het moment’ – de onafhankelijkheid.

Meel schetst een overtuigend beeld van Arron. Dat maakt zijn boek tot een goede biografie. Wel toont hij zich te veel een wetenschapper en is hij iets te weinig schrijver: door te uitvoerige passages uit speeches en interviews en te veel uitspinnen van gebeurtenissen ontstaat niet echt een compelling story, terwijl de biografie door Meels bewonderenswaardig onderzoek hiervoor wel alle elementen bevat.