Column

Niet alle wetenschap is sexy of toepasbaar

De burger mag straks meebeslissen over wetenschappelijk onderzoek. Beperking van de academische vrijheid, vindt Ilja Leonard Pfeijffer.

Deze week presenteerden minister Jet Bussemaker en staatssecretaris Sander Dekker hun langetermijnvisie op het Nederlandse wetenschapsbeleid. Een van de opvallendste punten in hun rapport is de nadruk op maatschappelijke relevantie, valorisatie en betrokkenheid. Bussemaker en Dekker zien een wetenschapsbeoefening voor zich die zich nuttig maakt voor de samenleving. Wetenschappers moeten met van alles en iedereen samenwerken: met elkaar, met bedrijven, met overheidsinstanties, met het KNMI, met particulieren die vogels tellen in hun achtertuin en betrokken krantenlezers met interesse voor technologische ontwikkelingen. Het hele rapport leest als een frontale aanval op de ivoren toren. Er wordt zelfs gedacht aan een nationale wetenschapsagenda, waarbij burgers mee mogen beslissen wat er precies allemaal moet worden onderzocht.

Het is heel erg makkelijk om hier smalend over te doen. Op de universiteiten worden er al grappen gemaakt door onderzoekers die zeggen dat ze even aan hun buurman moeten vragen wat ze vandaag moeten doen. Dat is cheap. Er is veel voor te zeggen dat onderzoek dat met publieke middelen wordt betaald, zichtbaar is en een draagvlak heeft in de samenleving. Ik ken net een beetje te veel wetenschappers die hun zo principieel gekoesterde autonomie misbruiken om zich zelfgenoegzaam terug te trekken in een minuscuul specialisme waarmee ze risicoloos hun pensioen kunnen halen.

Anderzijds is het ook weer heel erg makkelijk om dáár smalend over te doen. Niet alle wetenschap is sexy. Ook onderzoek dat nauwelijks aan een breed publiek kan worden uitgelegd, moet worden gedaan. Wetenschap is niet altijd toepasbaar of maatschappelijk relevant en het is fundamenteel iets anders dan probleemoplossend denken. Wetenschap gaat over begrip en heeft intrinsieke waarde. Wie denkt dat de wetenschappelijke onderzoeksagenda van buitenaf kan worden bepaald door leken, heeft een heel merkwaardige wetenschapsopvatting. Wetenschap creëert haar eigen onderzoeksagenda, omdat elke vraag die je beantwoordt nieuwe vragen oproept. Dat niemand kan voorspellen waar dat allemaal naartoe gaat en wat het resultaat zal zijn, is geen tekortkoming van wetenschap, maar niets minder dan haar kern.

De wetenschapsvisie van Bussemaker en Dekker is hoe dan ook onmiskenbaar een beperking van de academische vrijheid en moet als zodanig met de grootst mogelijke achterdocht worden bejegend. Dat de brief waarmee het rapport is aangeboden aan de Tweede Kamer mede is ondertekend door de minister van Economische Zaken is een veeg teken. Als het belang van wetenschap wordt bepaald op grond van haar economisch nut, dan is de wetenschap dood.

De belangrijkste passage van het rapport staat op pagina 9 van de inleiding: ‘Wetenschap is per definitie een zoektocht naar het onbekende. Dat betekent dat er ruimte moet zijn om te concluderen dat een ingeslagen weg weliswaar een interessante zoektocht opleverde, maar uiteindelijk toch niet heeft gebracht wat we ervan hoopten.’ Zolang we dat maar nooit vergeten.