Nederland en Turkije moeten volwassen gesprek aangaan

Het is niet voor de eerste keer dat Nederland en Turkije met elkaar botsen. En ook de aanleiding is niet nieuw. De jongste confrontatie tussen beide landen, die in 2012 nog het 400-jarig bestaan van hun ononderbroken diplomatieke betrekkingen vierden, lijkt erg veel op die van maart vorig jaar. Nu gaat de Turkse kritiek op ‘ons’ integratiebeleid, toen ging het over Turkse kritiek op ‘onze’ jeugdzorg.

In beide gevallen gaat het over de vraag in hoeverre Turkije zich mag uitlaten over wat er in Nederland gebeurt. In het geval van Turkije speelt dit extra, aangezien een terugkerend verwijt aan dit land is dat het zich op een oneigenlijke manier bemoeit met wat het beschouwt als de Turkse diaspora in Nederland. Niet voor niets is ‘de lange arm van Turkije’ een begrip.

Het ene land dat het andere de maat neemt – dat mag Nederland zeker niet vreemd in de oren klinken. Het omvangrijke buitenland kent weinig landen waarop naar Nederlandse begrippen niets valt aan te merken. De omgang met de mensenrechten of de positie van de rechtsstaat zijn haast vaste onderdelen op de gespreksagenda van de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken bij ontmoetingen met zijn elders in de wereld wonende collega’s.

Het is daarom dat de geagiteerde reactie van minister Asscher (Sociale Zaken, PvdA), die de Turkse kritiek op het Nederlandse integratiebeleid „ongepast” noemde, overtrokken aandoet. Het moeizame Nederlandse integratiebeleid en de soms meer dan scherpe toon hierover in het nationale politieke debat blijven, zeker in het betrokken buitenland, niet onopgemerkt. Een blik in de spiegel kan dan pijnlijk zijn, maar Asscher moet niet degene die de spiegel ophoudt daarvan de schuld geven.

Tegelijk valt ook Turkije wel het nodige te verwijten. De bemoeizuchtige politiek van Ankara ten aanzien van wat consequent wordt aangeduid als ‘onderdanen’ in het buitenland, is vaak eerder een obstakel op de weg naar integratie dan dat het een instrument is. De lijn tussen een gedeelde achtergrond en het aanspreken op die gedeelde achtergrond is nu eenmaal uitermate dun. Maar juist hierover moeten Nederland en Turkije een volwassen gesprek met elkaar aangaan.

Volgens minister Koenders (Buitenlandse Zaken, PvdA) is de kwestie afgesloten, na het telefoongesprek dat hij woensdag voerde met zijn Turkse ambtgenoot Cavusoglu.

Vanuit Turkije was hem duidelijk gemaakt dat de Turkse kritiek niet gezien moest worden als rechtstreekse kritiek op de Nederlandse overheid of politiek. Dit is een subtiliteit die het noodzakelijke gesprek juist niet verder helpt.