Karakters

Er staat een Chinees op de Coolsingel. Hij draagt een poncho van doorzichtig plastic en houdt een tablet in zijn handen. Steeds kijkt hij even rond en werpt dan een aarzelende blik op zijn beeldscherm. Ik vermoed dat er een kaart van de omgeving op te zien is. Misschien zoekt de man naar een herkenningspunt, een naam.

Maar blijkbaar doet het apparaat iets wat de man niet wil. Hij draait het scherm. En dan nog een keer en nog eens, alsof hij het roer van een schip in handen heeft, probeert koers te houden. Je ziet het mensen met zo’n ding vaker doen; om de kaart beter te kunnen lezen draaien ze het beeldscherm, waarna het apparaat de kaart roteert, waarna zij hun scherm weer draaien. Enzovoorts. Moderne dans tussen mens en machine.

Intussen trekt de wind hebberig aan de plastic poncho. Hij klappert in de wind. De Chinees werpt een blik om zich heen waaruit zoveel vertwijfeling spreekt dat ik me schuldig voel. Zijn taal spreken kan ik niet, van tablets en kaarten snap ik bitter weinig en om het nog erger te maken weet ik nooit hoe je ergens komt. Ik ken de pleinen, de kroegen, de straten, de havens. Maar hoe ze met elkaar verbonden zijn is me doorgaans een raadsel. In mijn hoofd is iedere plek een eiland, iedere afslag een verrassing. Onbenullige problemen waarmee ik heb leren leven – maar nu schiet ik tekort.

„Can I help you?”, probeer ik desondanks. De man begint direct te praten. Hij praat lang en indringend. En uitermate Chinees. Zijn ogen tasten onderwijl mijn gezicht af, alsof hij ook daar zoekt naar een herkenningspunt. Ten slotte zwijgt hij en draait zijn tablet naar me toe. Op het scherm tikt hij enkele Chinese karakters. Daaronder verschijnt prompt een vertaling. Er staat: „I want the hotel suddenly.”

Gespannen wacht hij op mijn reactie. Ik kijk enige tijd naar de woorden op het scherm en vorm me een beeld bij Hotel Suddenly. Wat een fijne plek zou dat zijn. Een hotel dat er altijd is wanneer je er behoefte aan hebt. Voor als je dronken bent of dakloos. Of vreselijk verliefd. Het ultieme pop-upconcept. Was er maar iemand die daar brood in zag.

Ik kijk de Coolsingel af. De Chinees kijkt mee. Ik leg zo goed mogelijk uit waar het station is. Dat hij beter die kant op kan lopen. Het daar nog eens moet vragen. De man knikt. „Go?”, zegt hij aarzelend. „Yes”, zeg ik. „Go.” Hij steekt een duim omhoog. „Go!”, herhaalt hij blij. „Go!” Eindelijk een woord dat we allebei verstaan.

We lachen en knikken ten afscheid. Dan draait hij zich om en begint te lopen. Voorovergebogen tegen de wind, in een plastic poncho, zoekend naar het plotselinge hotel. Zijn beeldscherm als een schild voor zijn borst.