Kanker doodt in arme landen eerder dan in rijke

De kans om aan kanker te sterven is in arme landen vaak meer dan twee keer zo groot als in de ontwikkelde landen.

Van de borstkankerpatiëntes in Zuid-Afrika is bijna de helft vijf jaar na de diagnose overleden. In Nederland is die sterfte veel lager: 1 op de 7 patiëntes is na vijf jaar gestorven aan haar kanker. Nederland hoort bij een hele rij West-Europese landen waar de borstkankersterfte de laagste ter wereld is, met onderling hooguit een paar procentpunt verschil. Hoe Zuid-Afrika het doet in vergelijking met andere Afrikaanse landen is echter onbekend. De gegevens ontbreken voor alle landen beneden de Sahel. Mali heeft begin van de eeuw kort een kankerregistratie gehad waaruit bleek dat 6 van de 7 borstkankerpatiënten na vijf jaar al dood waren.

Die grote verschillen zijn er ook voor longkanker, darmkanker, prostaat-, lever-, maag-, baarmoeder-, eierstokkanker en voor leukemie bij kinderen en volwassenen. De grootscheepse vergelijking van het lot van kankerpatiënten in 67 landen op vijf continenten is woensdag gepubliceerd door The Lancet.

De in dit project (CONCORD) verenigde onderzoekers gebruikten de gegevens van 25,8 miljoen kankerpatiënten waarvan in regionale of nationale kankerregistraties is vastgelegd wanneer hun kanker is gediagnosticeerd, hoe bedreigend de tumor was, en of de patiënten vijf jaar na de diagnose leefden, of waren overleden. Dat is bekeken voor de tien meestvoorkomende kankers, in drie opeenvolgende vijfjaarsperioden, vanaf 1995, 2000 en 2005.

De verschillen tussen landen zijn vaak groter zijn dan de verschillen tussen die drie opeenvolgende tijdvakken. De sterftekans wordt sterk bepaald door toegang tot diagnostiek en operatie- en radiotherapievoorzieningen. Die twee laatste technieken zijn vaak bepalend voor genezing. Voor een langere overlevingsduur is ook chemotherapie belangrijk.

In een oogopslag is duidelijk dat moeilijk te bestrijden kankers overal problematisch zijn. Aan longkanker sterft 85 procent van de Nederlandse patiënten binnen 5 jaar. Dat is in 15 jaar tijd met 2,5 procentpunt verbeterd. In de EU-landen met de slechtste behandelresultaten, Litouwen en Bulgarije, is die sterfte na vijf jaar nog 92 tot 94 procent. In Litouwen zijn de vooruitzichten voor longkankerpatiënten de afgelopen jaren zelfs verslechterd. Ook de vijfjaarsoverleving bij leverkanker komt niet boven de 20 procent.

Kinderen die leukemie krijgen in Algerije, Tunesië, Indonesië, Jordanië en Thailand hebben minder dan 60 procent kans om vijf jaar later nog te leven. In Canada overleeft meer dan 90 procent van de kinderen en in de meeste Europese landen ligt de vijfjaarsoverleving boven de 85 procent, soms al sinds 1995.

Nederland is een van de 40 landen met een kankerregistratie waarin het lot van alle kankerpatiënten wordt gevolgd. Afrika is het probleemcontinent. Van de 25,8 miljoen patiënten kwamen er ruim 10 miljoen uit Europa, 11 miljoen uit Noord-Amerika, ruim 3 miljoen uit Azië, maar slechts 12.509 uit Afrika. Geen Afrikaans land had een nationale registratie. Het gevaar daarvan is, schrijven twee Amerikaanse kankeronderzoekers in een begeleidend commentaar in The Lancet, dat een registratie tot de hogere sociaal-economische klasse in een land beperkt blijft en veel te rooskleurige cijfers geeft.

In landen met een goede registratie, klagen de commentatoren, wordt het voortbestaan van de registraties soms bedreigd door strikte privacywetgeving of bezuinigingen op de zorg. Maar een landelijke kankerregistratie is een goede manier om bij te houden of de kankerzorg beter kan of goed blijft, vinden ze. En internationale vergelijking laat zien hoe ver een land is, en in welke mate de kankerbestrijding er wordt gehinderd door sociaal-economische factoren.