Hij: wat een bedilzucht Zij: wen er maar aan

Is een vrouwenquotum de enige manier om de samenleving te veranderen? nrc.next-redacteur Gijsbert van Es gaat in gesprek met zijn vrouwelijke ik.

Illustratie Fotodienst NRC

Ooit waren er twee soorten mensen: mannen en vrouwen. De mannen waren jagers. De vrouwen bleven thuis, bij de hut, bij het houtvuur, bij de kinderen.

Al direct slaan we 250.000 jaar over in de geschiedenis van de mensheid en pakken de draad weer op in het revolutiejaar 1968 na Chr. Toen, ongeveer, zijn alle bestaande machts- en gezagsverhoudingen in Genderland door elkaar geschopt. Een man mag geen Man meer zijn, een vrouw is niet langer een vrouwtje.

Bij gevolg ben ik nu een gespleten persoonlijkheid. Ik doe dingen die mijn vader nóóit deed. Ik strijk mijn eigen overhemden. Ik doe aan yoga. Ik heb ook een ‘vrouwelijke kant in mezelf ontwikkeld’ – zeg maar.

Het zou er allemaal niet toedoen, ware het niet dat de Duitse regering een revolutionair wetsvoorstel heeft ingediend bij de Bondsdag. In 2016 móéten alle raden van commissarissen van beursgenoteerde ondernemingen voor minimaal 30 procent uit vrouwen bestaan. Een keihard vrouwenquotum. Mijn ziel hinkt op twee gedachten:

M-ik: „Wat een malle bedilzucht! Het gaat om persoonlijke kwaliteiten, niet om je geslacht!”

V-ik: „O nee, niet weer dat hele rijtje clichés. Ben jij voor het handhaven van mannenbolwerken? Ontken je dat er zoiets bestaat als een glazen plafond?”

M-ik: „Ik ben sowieso zelden tégen iets. En ik ben vóór individuele vrijheid. Als vrouwen écht in de top van het bedrijfs-leven willen meedraaien, komen ze daar heus wel.”

V-ik: „Bij onbeperkte vrijheid regeert de wet van de jungle, heerst het recht van de sterkste. Mannen zitten op sleutelposities ómdat ze daar al eindeloos lang zitten, niet omdat ze beter zijn dan vrouwen. Ze benoemen hun vriendjes, ze willen geen rokken aan de top.”

M-ik: „En waaróm zouden ze dat niet willen?”

V-ik: „Omdat ze geconditioneerd zijn als male chauvinist pigs, het is een gesloten systeem dat zichzelf in stand houdt.”

M-ik: „Hum, interessant – maar kom ’s met een nieuw argument?”

V-ik: „Het gaat erom dat het maatschappelijk onwenselijk is dat de helft van de mensheid stelselmatig de andere helft buiten de deur houdt.”

M-ik: „Aha, maatschappelijke wenselijkheid, op die fiets… Dan moeten we ook niet langer toestaan dat het onderwijs feminiseert. Op basisscholen staan 8,5 vrouwen tegenover 1,5 mannen voor de klas. Gaan we dan ook wettelijk regelen dat dit 5,0 tegenover 5,0 moet zijn?”

V-ik: „Dat is een scheve vergelijking. Raden van commissarissen vormen zichzelf door coöptatie, dat zijn old boys networks. Een Pabo-opleiding is een kwestie van vrije keuze en voor een baan kun je gewoon solliciteren.”

M-ik: „Maar we hadden het over de vraag wat maatschappelijk wenselijk is. In de Nederlandse krijgsmacht dienen 9,2 mannen tegenover 0,8 vrouwen. Zeggen we nu: laat vrouwen dáár ook eens hun verantwoordelijkheid nemen!? Ons leger is steeds minder een vechtmachine, het wordt meer en meer ingezet bij humanitaire acties – als een soort flying doctors met andere middelen. Waarom zouden we vrouwen ontzien bij dit soort internationale zorgtaken?”

V-ik:„Er is een groot verschil tussen vrouwen stelselmatig buiten de deur houden en vrouwen tot iets dwingen.”

M-ik: „Een wet maken over een vereist percentage vrouwen aan de top van het bedrijfsleven is net zo goed een vorm van mannen stelselmatig buiten de deur houden ten gunste van vrouwen. Het leger is een overheidsdienst, scholen staan onder overheidstoezicht. Het kan dus simpelweg een politieke keuze zijn om te zeggen: de krijgsmacht en de lerarenopleidingen móéten vanaf 2016 evenveel mannen als vrouwen toelaten, klaar.”

V-ik:„Dat gaat dus niet werken in de praktijk.”

M-ik: „Want?”

V-ik: „Er zijn nu eenmaal niet genoeg vrouwen die in het leger willen en mannen die leraar op een basisschool willen worden.”

M-ik: „Hoe weet jij zo zeker dat er wél genoeg vrouwen zijn voor raden van bestuur, raden van commissarissen, raden van toezicht?”

V-ik: „Misschien zijn ze een tijdlang moeilijk te vinden, maar als je ze niet actief zoekt en de kans geeft ervaring op te doen, blijf je eeuwig hangen in dat verkalkte mannenwereldje.”

M-ik: „Maar vrouwen kunnen niet enerzijds hun plek opeisen in het bedrijfsleven en anderzijds de krijgsmacht lekker aan mannen overlaten. Dan moeten er ook wetten komen voor vrouwenquota als bouwvakkers, automonteurs, brood- en banketbakkers en Zwarte Piet.”

V-ik: „Met jou valt niet serieus te praten!”

M-ik: „Ho, ho, niet op de man gaan spelen nu.”

V-ik: „Dat is ook weer zo’n mannending: je toon is gewoon vervelend.”

M-ik: „Oké, sorry. Maar zeg ’s eerlijk: denk je écht dat vrouwquota het juiste medicijn zijn om de ongelijkheidsziekte te bestrijden? Het probleem zit veel dieper in de samenleving dan alleen: mannen gaan met hun rug naar vrouwen staan en houden de rijen gesloten. Neem de bètastudies. Ga eens aan een Technische Universiteit kijken naar de verhouding tussen mannen en vrouwen. Wat zie je dan?”

V-ik:„Dan zie je inderdaad iets héél anders dan aan een geneeskunde- of rechtenfaculteit. Vrouwen zijn onmiskenbaar in opmars in medische en juridische beroepen. Het kán dus wel.”

M-ik: „Het kan zeker – en het is gebeurd zonder quota of andere dwangmaatregelen. Dus wat leert dat?”

V-ik:„Je hoeft mij geen tentamen af te nemen. Beantwoord je eigen vragen!?”

M-ik: „Het leert dat je de macht van mannen niet wettelijk hoeft te verzwakken door die van vrouwen te versterken. Het zijn maatschappelijke krachten die zichzelf aanpassen aan veranderende omstandigheden.”

V-ik:„Dat zegt een man.”

M-ik: „En wat zegt een vrouw?”

V-ik: „Dat je de samenleving af en toe een mep moet verkopen als verandering niet snel genoeg gaat.”

M-ik: „Poeh, spierballentaal!”

V-ik: „Jazeker. Wen d’r maar aan.”