Hier bezit iedereen alleen zichzelf

Met een fraaie pen wordt in een Oost-Duitse roman , die in de DDR verboden was, het ontgoochelde Duitsland van de jaren vijftig neergezet. Het verhaal speelt zich af in de ontaarde wereld van mijnwerkers.

Platenhoes van label Barbarossa met strijdliederen van de communistische jeugdbeweging in de DDR Foto Barbarossa

Voor een schrijver is het een genade om in een door de geschiedenis getekend land op te groeien. Onderdrukking, oorlog, verzet, en niet te vergeten de desillusie achteraf, hebben grootse romans opgeleverd. Zelfs in Nederland – zie het vroege werk van W.F. Hermans en Gerard Reve.

Maar als het om die literaire genade gaat, loopt Duitsland voorop. Je merkt het meteen in de roman Rummelplatz (Kermis) van de Oost-Duitse schrijver Werner Bräunig (1934-1976), die in veel opzichten aan de vroege W.F. Hermans doet denken. Gedesillusioneerde personages van het meest uiteenlopende soort lopen rond in een zwarte wereld vol valse idealen. Ze zijn cynisch, laten zich door hun omgeving bedriegen en zwijgen over hun verleden, dat ze het liefst zouden uitwissen nu in de DDR een nieuwe maatschappij wordt opgericht.

Rummelplatz had in 1965 moeten verschijnen, als eerste deel van een tweedelige roman over het naoorlogse West- en Oost-Duitsland, tussen 1949, het oprichtingsjaar van de DDR, en 1961, toen de Muur werd gebouwd. Maar de culturele dooi die na de dood van Stalin in 1953 intrad, was toen alweer voorbij, en de groep kritische DDR-schrijvers, waartoe ook Bräunig behoorde, had het nakijken. Rummelplatz werd niet uitgegeven, omdat het een karikatuur van het communisme zou schetsen.

Aanvankelijk zou Bräunig met een nieuwe versie van het boek komen, maar binnen twee jaar gaf hij het op, omdat hij zeker de helft had moeten schrappen. In 1967 ontbond zijn uitgever het contract. Bräunig schreef nog wat essays en verhalen, waarna hij op zijn tweeënveertigste, eenzaam en drankverslaafd, overleed.

Duitse bossen

Pas in 2007 werd Rummelplatz in Duitsland gepubliceerd. Critici overlaadden het boek met lof en vergeleken de schrijver met grote Nachkriegs-auteurs als Günter Grass, Heinrich Böll en Wolfgang Koeppen. De ronduit schitterende vertaling van Josephine Rijnaarts bewijst eens te meer waarom die vergelijking terecht is. Want wat een enorme vertelkracht krijg je hier te zien. Neem alleen al die eerste zin: ‘De nacht van twaalf op dertien oktober kwam in de Duitse bossen tot rust; een vermoeide wind sloop over de akkers, slofte door de donkere steden van het jaar vier na Hitler, kroop in de ochtendschemering oostwaarts over de Elbe, klom over de kammen van het Ertsgebergte, plukte aan de spandoeken die slap in de ruïnes van Maagdenburg hingen, daalde door de beukenbossen op de Ettersberg behoedzaam af naar het standbeeld van de twee grote denkers en de huizen van de nog grotere vergeters, woei het stof van de bruinkoolmijnen op, ging in de reusachtige vlag voor de Berlijnse universiteit aan Unter den Linden even liggen, ruiste over de Brandenburgse zandvlakten en verdween tenslotte in het laagland ten oosten van de Oder.’ Je weet meteen waar je bent: in een verwoeste, verweesde wereld.

En dan voert Bräunig je mee naar een door de Russische bezetter geëxploiteerde uraniummijn, de Wismut in het fictieve dorpje Bermsthal. Die mijn wordt neergezet als een staat in de staat, een soort concentratiekamp compleet met wachttorens. De autoriteiten noemen de Wismut Klein-Texas, omdat de mijnwerkers een wilde mix zijn van ex-nazi’s, ambachtslieden, opstandige bourgeoiszoontjes, gelukzoekers en communisten die door de nazi’s zijn vervolgd. In een van hen, Peter Loose, een arbeiderszoon en eeuwige pechvogel die uiteindelijk wegens opruiing in de gevangenis belandt, herken je al gauw de schrijver zelf.

Bräunig is een meester in het beschrijven van zowel het leven in de mijn als van de verwarring onder de mijnwerkers, die moeite hebben zich aan te passen aan de dagelijkse sleur nu de oorlog voorbij is: ‘ze moesten weer de bescheiden jongemannen zijn die ze voor de oorlog waren geweest, met een handvol goedkope idealen: een meisje, een fiets om mee naar het werk te gaan en straks twee of drie kinderen.’

Met zijn beschrijvingen van deze ‘onderwereld’ – ‘hier bezat iedereen alleen zichzelf en kreeg niemand iets cadeau’ – weet hij je zo in vervoering te brengen, dat je bijna zou vergeten dat er buiten de mijn nog een andere wereld bestaat. Ook krijg je het gevoel dat het daglicht van de aarde is verbannen en alles zich in een schemertoestand afspeelt. Maar vooral beschrijft Bräunig als geen ander hoe na 1945 de ‘hakenkruizen stilletjes uit de vlaggen verdwenen’ en de inwoners van de door de Russen bezette zone van de ene dag op de andere ‘Bau-auf-bau-auf!’ zongen.

Op licht sarcastische toon en in een onsentimentele, rijke stijl wordt een reeks ontheemde personages belicht. De belangrijkste zijn naast Peter Loose, de mijnopzichter Hermann Fischer, een communist die onder de nazi’s twee jaar in een kamp zat, en de jonge Christian Kleinschmidt, de opstandige zoon van een in ongenade gevallen hoogleraar. De gesprekken die ze met elkaar voeren zijn levensecht, zo goed zijn ze geschreven.

Christian is de intellectueel van het gezelschap. Hem hoef je niets wijs te maken, noch over de nazi’s, noch over de communisten. Hij heeft zijn favoriete boeken van vooroorlogse schrijvers als Kurt Tucholsky en B. Traven in zijn ransel. Zij verkondigen een waarheid die niet meer bestaat: ‘Waarheden waren steeds moeilijker te vinden, er was nauwelijks iets in de wereld wat overeind bleef als je het onderzocht, nauwelijks iets wat de grote woorden die erover waren gezegd ook echt waarmaakte.’

Personeelschef

In Bermsthal staat ook de papierfabriek, waar de tweede verhaallijn van de roman zich ontwikkelt. De verbindende schakel met de mijn is Ruth Fischer, de dochter van de mijnopzichter, die verliefd wordt op de sympathieke personeelschef Nickel. Door zijn ogen laat Bräunig het ontaarde Duitsland zien, dat niet weet wat het met zichzelf aan moet. Ex-nazi’s zijn overal, in allerlei categorieën, al waren de meeste toch vooral meelopers.

Met dit beeld lijkt Bräunig die nazi’s af te willen zetten tegen de nieuwe heersers van de socialistische DDR, die niet veel beter zijn. Alleen gelovige communisten zoals Hermann Fischer deugen. Zij zien de DDR als bescherming tegen de nazi’s die na 1945 in West-Duitsland op hoge posities zijn gehandhaafd. Maar Fischer gaat aan zijn goedgelovigheid ten onder, als hij tijdens het bouwvakkersoproer van 1953, dat uitbreekt als de DDR-leiding de salarissen verlaagt en de productienormen opschroeft, de los geslagen betogers probeert te kalmeren.

Ter gelegenheid van de 25ste verjaardag van de val van de Muur verschijnen dezer dagen tal van herinneringen aan de DDR. Vaak zijn die van de hand van jonge schrijvers met nostalgie naar de knusse knulligheid van dat land. Bräunig laat in Rummelplatz aan de hand van zijn eigen ervaringen zien dat voor nostalgie weinig reden bestaat. De vroegere DDR was een staat waarin voor menselijkheid geen plaats was en alles om het halen van de productienormen draaide.

De hoofdstukken in zijn boek die zich in West-Duitsland afspelen zijn niet minder onmenselijk. Daar lijken de nazi’s van misdadigers en massamoordenaars in kille, rationele zakenmannen te zijn veranderd, die als hoogste doel hebben dat de geldmachine optimaal draait. Ook op hen kon Bräunig zijn meesterlijke, cynische pen loslaten.