Het zwarte verleden van Nanaimo

De fraai gelegen Canadese havenstad Nanaimo op Vancouver Island heeft een chic randje. Maar onder de grond loert het zwarte verleden. Schrijver en historicus Tom Paterson brengt toeristen langs de restanten van de mijnindustrie, die vaak plompverloren in het landschap liggen.

De haven lijkt het enige chique restant van de twintigste eeuw, een tijd waarin Nanaimo bekendstond om zijn hotels, operahuis en bordeel.

'Wilt u mayonaise, knoflooksaus, witte saus, tartaarsaus of ketchup bij de fish and chips?” vraagt de serveerster van The Lighthouse Bistro, een restaurant met een buitenbar die boven het water zweeft. De keuze is groot in de haven van Nanaimo, waar fraaie boten liggen en kleine motorvliegtuigen voortdurend zakenlui van en naar het vaste land brengen. De hoge torens van glas herbergen penthouses met zwembad, die rond de 1,2 miljoen Canadese dollars kosten, bijna 1 miljoen euro.

De haven lijkt het enige chique restant uit de twintigste eeuw, een periode waarin Nanaimo bekendstond om zijn hotels, operahuis, bordeel én de allereerste buurtkroeg van Brits Colombia. Met een zee vol zalm, kokkels en heilbot, een florerende mijn- en houtindustrie en genoeg land om er een eigen huis neer te zetten was Nanaimo the place to be. Maar vijftig jaar geleden ging een deel van de houten huizen in vlammen op, de rest kwam onder de bulldozer terecht.

Verborgen plekken

„In Canada erkennen we de historie nauwelijks”, zegt Tom Paterson, een historicus en schrijver die inmiddels alle verborgen plekken van de mijnindustrie kent en met zijn Black Track Tour liefhebbers rondleidt. „Er is weinig bewaard gebleven, maar geschiedenis is voor mij het verhaal achter de paar overgebleven stukjes beton en vuilnishopen van kool en roest.” De laatste steenkoolmijn sloot in 1968 en de oude mijngangen onder Nanaimo zijn door instortingsgevaar ontoegankelijk, maar onze gids weet een andere manier om de artefacten te aanschouwen.

Paterson – witte baard, zwarte cowboyhoed en nauwelijks een tand in zijn mond – begint zijn ontdekkingstocht op een industrieterrein, waar hij na enkele rondjes stil blijft staan bij een belangrijke herdenkingsplek. Voor een fabriek staan twee splinternieuwe, maar onbemande, houten bankjes die met roze bloemetjes zijn opgefleurd.

Methaangasexplosie

In rap tempo doet hij zijn verhaal. „Op deze plek bevond zich de ingang van een steenkoolmijn. In 1887 zijn bij een explosie door methaangas honderdveertig mensen om het leven gekomen. Op een inwonersaantal van duizend is zo’n ongeval vergelijkbaar met een nucleaire ramp. De arbeiders speelden Russisch roulette; elke dag was het de vraag of ze weer naar boven zouden komen.”

Somber wrijft de schrijver over de bronzen munt die op zijn verweerde, bruine jas is gespeld. In de munt is het getal 33 gegraveerd. „Iedereen droeg zo'n munt, met zijn eigen nummer.”

Dan is het tijd voor de wildernis. De pick-up hobbelt over smalle zandwegen met kiezelstenen, langs riviertjes en door privéterrein, waar Paterson af en toe een hek moet openen. „Ik heb toestemming”, zegt hij geruststellend. We komen langs een oud treinspoor, de ruïne van een pomphuis en metershoge, grijs-zwarte heuvels met slak, de afvalresten van steenkool. Hier en daar zou je zo een wolf of eland tegen het lijf kunnen lopen, maar het blijft bij een concert van vogels.

Steile hellingen

De airconditioning van de truck wordt verlaten en in de hitte beklimmen we een van de steile hellingen. Paterson wijst met grote stappen de weg. Op de top van de afvalberg toont Vancouver Island zijn uitgestrektheid, met een helderblauw meer, akkers, bossen en in de verte natúúrlijke bergen.

Pronkstuk is de Morden Mine, een geraamte van 22,5 meter hoog waarmee steenkool omhoog werd getakeld. „De staatsregering wil er vanaf, omdat het beton afbrokkelt, maar samen met de Friends of the Morden Mine strijd ik voor behoud.” Het metalen hekwerk met knalgele borden en de tekst ‘Danger, do not enter’ werkt niet echt uitnodigend, maar we wandelen door en zien in het bos van witte esdoorns en Douglassparren meer restanten, veelal overwoekerd door klimop en mos. Door het licht dat zich op enkele plekken naar binnen werkt, ontstaat een spookachtige sfeer. Zouden de geesten van de mijnwerkers hier rondhangen?

Paterson gaat snel verder naar een aantal oude woongemeenschappen, bij Scotchtown Road en Minetown Road in South-Wellington. Ladysmith, opgericht door een mijneigenaar, zou je met zijn kleurrijke gevels uit de negentiende eeuw een openluchtmuseum kunnen noemen.

Onze gids rijdt van hot naar her en schudt energiek honderden verhalen uit zijn mouw, maar wordt dan toch heel even stil. Bij de begraafplaats.

Namaakmijn

Terug in de stad proberen we nog even de donkere namaakmijn in het zes jaar geleden opgerichte Nanaimo Museum uit. Niet echt eng. Het was vast akeliger voor de arbeiders, die in de buitenwereld voor elektriciteit en licht moest zorgen.

Bezoeker Gabrida Mekay Meyer kijkt treurig naar de honderden namen van omgekomen mannen. „Het is verschrikkelijk. Mijn overgrootvader uit Wales werkte bovengronds als ingenieur, dus hij had geluk. Het is gewoon niet voor te stellen wat de arbeiders moesten doormaken. Ons comfort hebben we aan onze voorouders te danken.”

Paterson hoopt dat er meer toeristen komen, juist door het zwarte verleden te omarmen.

„Als schrijver en historicus probeer ik de fakkel brandende te houden en mensen wakker te maken. Ons wonderlijk en rijk erfgoed mag zeker niet verloren gaan.”