Gheorghiu en Kasarova: twee totaal andere diva’s

Twee wereldberoemde Oost-Europese zangeressen, in 1965 kort na elkaar geboren, traden dinsdag gelijktijdig op in Amsterdam. De Roemeense sopraan Angela Gheorghiu in het Concertgebouw, de Bulgaarse mezzosopraan Vessalina Kasarova in het Muziekgebouw aan ’t IJ. Dat concert herhaalde ze gisteren in Utrecht in de serie Vocale sterren.

De verschillen konden niet groter zijn. Gheorghiu, een van ’s werelds mooiste stemmen, is een roemruchte diva: ze liet zich omstandig vieren in drie jurken en met drie kapsels. Ze maakte geen buigingen, zwaaide veel en was druk met het afdalen en het bestijgen van de trap aan de hand van de Roemeense dirigent Tiberiu Soare en de Roemeense tenor Marius Vlad Budoiu.

Het rommelig geprogrammeerde optreden charmeerde maar bracht geen opwinding. Soms miste haar bijna vibratoloze stem glans en vooral dramatiek. Aria’s van Puccini en Cilea en het Ave Maria uit Verdi’s Otello verdienden een tragischer ondertoon. Ook de duetten vielen tegen, Budoiu was, zelfs in zijn soli, een tenor op beduidend lager niveau. Epaterend, zoetelijk en extra langzaam klonk Gheorghiu in Puccini’s O mio babbino caro, een van de in totaal vier toegiften.

Hoe anders was Vessalina Kasarova. Met bescheiden, ingehouden gebaren en gehuld in één zwarte jurk stond ze in de bocht van de vleugel, waaraan Hansjörg Albrecht haar zorgvuldig begeleidde. Het programma was voorbeeldig: de Wesendonck Lieder van Wagner en de liedcyclus Les nuits d’été van Berlioz. De vibratorijke Kasarova is haar ‘prime’ verder voorbij dan Gheorghiu maar gaat daar als een typische mezzo mee om. Ze was met haar effectvolle donkere laagte een vulkaan van sterk wisselende expressie. Geëxalteerd alsof ze Mathilde Wesendonck zelf was, pathetisch in Berlioz. Er waren twee toegiften uit Händel-opera’s.