En maar smachten naar gemoedsrust

De hoofdpersonen in de tweede roman van de in Amerika woonachtige schrijver gaan ten onder omdat ze hun ideeën niet in de juiste vorm weten te gieten. Ze lijden aan het ‘onvermogen tot articuleren’.

Paul Giamatti (l.) en Thomas Haden Church in de film Sideways (2004) Foto Merie W. Wallace

Wie, zoals ik, na de lezing van Het ruisen van de wereld concludeert dat het probleem van hoofdpersonage Moss het probleem van Miles uit de film Sideways is, heeft zich voor de duur van enkele woorden in de bovenste regionen van de ironie begeven. Want wat is het vergelijken van de toestand van twee fictievelingen anders dan ironisch als de behandelde roman over iemand gaat die bij alles alleen nog maar aan fictie kan denken?

Moss is het hoofdpersonage van Kuypers’ tweede roman. Zwaarmoedig sleept hij zich naar de begrafenis van een oud-docent, alwaar hij zijn ex-vriendin Dani ontmoet, die hij heel lang niet heeft gezien en dan ook niet onmiddellijk herkent. Dat komt niet alleen door Dani’s uiterlijk, dat de afgelopen jaren sterk is veranderd. Er is iets heel anders doorslaggevend in het niet herkennen.

Het is, zoals gaandeweg de roman blijkt, de blik van Moss die zodanig is versteld dat delen van zijn, door meer mensen gedeelde geschiedenis, er niet meer lijken te zijn. Er is iets anders voor in de plaats gekomen: een scherp analytische, maar onbarmhartige blik waarin de lezer de blik van een bepaald slag schrijver zal herkennen. Dani is niet zijn oude liefje; ze is voor Moss wat ze voor een willekeurige, hardvochtige passant zou kunnen zijn: een uitgedijde vrouw, een treurige homp vlees. En nu moeten we Miles er even bij halen, de man die in Sideways (2004) een roadtrip maakt om het aanstaande huwelijk van een vriend luister bij te zetten. Er is onderweg wijn, er is heerlijk eten, er zijn gewillige en zelfs leuke vrouwen, maar niets zorgt ervoor dat Miles er van kan ‘genieten’. In elk geval niet zoals zijn vriend ervan geniet.

Aan Miles’ stijfboordige gedrag ligt een mislukt huwelijk en een vermeende depressie ten grondslag, maar er is meer, namelijk een tamelijk gefnuikt schrijverschap. Miles heeft overal over nagedacht, hij heeft gewikt en gewogen, maar hij heeft verzuimd zijn opvattingen in een scherp geschrift uiteen te zetten. In plaats daarvan laat hij ze uit zijn mond vloeien (met bijvoorbeeld een stampvoetende tirade over het niet willen drinken van Merlot tot gevolg), waarmee hij zijn omgeving slechts tot last is. Miles en Moss gaan gebukt onder wat Michel Houellebecq het onvermogen tot articuleren noemde. Het broeit en gist in de hoofden van Miles en Moss, maar ze gaan er aan ten onder omdat ze hun ideeën niet in de juiste vorm hebben weten te gieten.

Het ruisen van de wereld is in de kern een roman over beroepsdeformatie, met dat verschil dat Moss zijn beroep niet echt uitoefent, zodat het de beroepsdeformatie van de wannabe-romanschrijver is. Een nuchtere lezer zou bovenstaand verhaal overigens zo naar de prullenbak kunnen verwijzen door op te merken dat Moss’ geest eerder door diens medicijnen wordt bepaald, want hij slikt pillen bij de vleet.

Vreemd genoeg, of beter gezegd ‘gelukkig’, is Het ruisen van de wereld helemaal geen pessimistische of klagerige roman, vooral niet naar het einde toe. In Deniz Kuypers (1981) lijkt mij eerder een romantische geest te huizen, die zijn held onverminderd laat smachten naar gemoedsrust. Het is niet allemaal shit, hij heeft gewoon heel goed door dat hij de wereld, als we het even zo groots mogen zeggen, ooit anders ‘las’ dan hij nu doet. De ruis uit de titel slaat dan ook eerder op het uitnodigende dat in de existentie besloten ligt (het kan, gelukkig zijn) dan op een storende factor. Moss hoopt nog, en lijdt.

Door de bank genomen is dit boek een indrukwekkende opvolger van het nogal pathetische debuut Dagen zonder Dulci. Het had alleen nog beter gekund, en het had ook zonder veel extra moeite beter kúnnen zijn. De hobbels in de weg worden voornamelijk veroorzaakt door zinnen of zinsconstructies van dubieuze Hollandse snit. Over sneeuw: ‘de mens stond er machteloos tegen’. Over iemand met een groot reukorgaan: ‘ze had een neus als een bloedhond’. Dat zal een flinke neus zijn dan.

De in Amerika woonachtige Kuypers schreef zijn debuutroman in het Engels, waarna het in het Nederlands vertaald werd. Dat lijkt ook met zijn tweede gebeurd te zijn. ‘Je hebt het hier wel over ons huwelijk, geen sandwich.’ Een iets strengere eindredacteur zal bijdragen aan een nog betere opvolger.