Een herontdekt ‘meesterwerk’ over Berlijnse schooiers

De eerste bladzijde van Ernst Haffners Bloedbroeders roept de schokkerige zwart-witbeelden van een documentaire over de crisisjaren op: een onafzienbare rij werklozen staat in de kou van de Berlijnse winter te wachten tot de heet gestookte wachtkamer van de sociale dienst opengaat. Onder de massa Duitse hongerlijders in de vroege jaren dertig waren duizenden dakloze jongeren, geboren tijdens of vlak na de Eerste Wereldoorlog, opgegroeid in grote armoede, met een gesneuvelde vader en een in een wapenfabriek afgebeulde moeder. Voor die kinderen waren er opvoedingsgestichten, maar daar kregen ze meer slaag dan eten, zodat ze besloten ‘liever in vrijheid te creperen’ en de kinderbescherming te ontvluchten. In de grote stad belandden meisjes in de prostitutie, jongens vormden bendes.

Haffners roman vertelt het verhaal van acht jongens die zich ‘de Bloedbroeders’ noemen. Jonny is de natuurlijke leider: hij bewaart ‘zelfs in zijn slaap een uitdrukking van wilskracht en onverschrokkenheid’, heeft geestelijk overwicht op de anderen, en ‘dat hij fysiek hun meerdere is, spreekt voor zich, anders was hij geen bendeleider’. De hoofdpersonen van het boek zijn de 18-jarige Ludwig en de 20-jarige Willi, die elkaar van het opvoedingsgesticht kennen.

De lezer maakt mee hoe Willi, na wraak op een opzichter te hebben genomen, uit de instelling ontsnapt en als verstekeling hangend onder de sneltrein van Keulen naar Berlijn spoort. En Ludwig wordt opgepakt en veroordeeld, waarna hij ondervindt dat de loyaliteit van de Bloedbroeders niet bij de gevangenismuren ophoudt. Niettemin meent hij na zijn ontsnapping en rentree in de bende dat Jonny te ver gaat wanneer hij de kameraden aanzet tot zakkenrollen zonder aanzien des persoons. Ook Willi weigert te stelen van wie het zelf niet breed heeft, en de vrienden besluiten de bende te verlaten. Eerlijk werk willen verrichten zonder papieren te hebben, dat blijkt een bijna onmogelijke situatie, maar de vrienden zijn eensgezind.

Bloedbroeders is geschreven in de zakelijke stijl van de jaren dertig, gecombineerd met de toon van een jongensboek: ‘Verdomme! Weg! [...] Als ze je hier snappen, is het met je vrijheid gedaan, Willi!’

Het boek verscheen voor het eerst in 1932 en is vorig jaar in de Duitse pers onthaalt als een herontdekt meesterwerk. Maar die lof is overdreven, daarvoor geeft de auteur de jongens te weinig individuele contouren mee. Spannend is het wel, en het geeft een pregnant tijdsbeeld, inclusief een antisemitische passage.

Als journalist en sociaal werker kende Ernst Haffner de wereld van de jeugdige ‘grotestadsschooiers’ van binnenuit. Sinds 1938 ontbreekt van hem ieder spoor, alsof hij zelf is opgegaan in het leger van zwervers zonder geldige papieren. Maar zijn verdwijnen kan ook met de nazi’s te maken hebben, die zijn boek naar de brandstapel verwezen.