Ebola-actie maakt land te afhankelijk

Met fondsen als Giro 555 creëren hulporganisaties parallelle staten, die machtiger en rijker zijn dan lokale regeringen, aldus Linda Polman.

illustratie olle johansson

Zeker tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw spaarden kinderen op Nederlandse scholen zilverpapier en centjes voor nonnen en patertjes die zorgden voor arme weesjes in Afrika. „Bij mij op de kleuterschool in Laren stond een buste van een neger met van die dikke lippen en een uitgestoken tong”, vertelde me een kleuter-van-toen. „Je legde je muntje op die tong, trok aan een hendel en dan schoof die tong naar binnen. Je hoorde ‘kleng’ en dan voelde je: dat muntje zou goed terechtkomen.” De neger van destijds is vervangen door een belpanel van Giro 555 en het muntje door een bankoverschrijving, maar het ‘kleng’-gevoel is voor huidige generaties nog net zo geruststellend als voor hun opa’s en oma’s.

Met het verstrijken van de tijd werden missionarissen van het toneel geveegd door een internationale hulpindustrie met een omzet van tenminste 120 miljard euro per jaar, met wel de ouderwets-warme uitstraling van één grote, gezellige familie die crisisgebieden binnentrekt om menselijk lijden te verlichten. In werkelijkheid is het een kakelbont, steeds verder uitdijend circus van individueel opererende organisaties dat op rampen afkomt. De sterkste onderlinge relatie is een competitieve: ze willen allemaal een deel van dezelfde hulpmiljarden. Hulporganisaties die niet opdraven bij iedere grote humanitaire ramp, of die zich onvoldoende in de kijker van donoren en media weten te spelen, worden gepasseerd door concurrerende organisaties en lopen donorfondsen mis. Eigenbelang moet boven dat van slachtoffers staan.

Ook Giro 555 ontsnapt niet aan het mechanisme. Uw gift gaat niet per se naar de organisatie met het meeste verstand van ebola, maar wordt verdeeld over alle organisaties die lid van de Stichting Samenwerkende Hulporganisaties (SHO) zijn. Hoewel het beter is voor slachtoffers als alleen de meest ter zake kundige organisaties zich met humanitaire drama’s bemoeien, heeft niemand ooit iets aan de verdeelsleutel gedaan.

De SHO is de internationale hulpwereld in het klein. Een karavaan van meer dan 150 westerse donoren en tenminste zoveel westerse hulporganisaties trok ebolagebied al binnen met tenminste 1 miljard dollar onder elkaar te verdelen. The New York Times schreef onlangs over werkoverleggen in ebolagebied. „IJdeltuiterij”, „slechte coördinatie”, „ruzie”, „gebrek aan focus” en „flodderigheid” zijn trefwoorden in het verhaal. Droefmakend is de passage over Europese donorregeringen die de door hen betaalde veldhospitaals per se in Liberia’s hoofdstad Monrovia willen bouwen. Maar in Monrovia staan ziekenhuisbedden leeg, terwijl op het verre Liberiaans platteland bedden juist desperaat nodig zijn. Alleen zijn daar geen tv-camera’s om de goede werken te filmen.

De regeringen van ebolalanden staan erbij en kijken toe. Hoofdschuddend, stel ik me voor. Overheden van arme landen zoals Sierra Leone en Liberia kunnen de reguliere publieke gezondheidszorg al niet aan, laat staan extra ellende zoals ebola. Niet zij, maar donorregeringen bepalen waar de prioriteiten in hulpverlening liggen, want de fondsen voor rampen gaan niet naar de regeringen van getroffen landen. De bulk, tientallen miljarden per jaar, sluizen de donoren door westerse hulporganisaties en -instituten, zoals de VN en de Wereldbank. Met de fondsen creëren ze er parallelle staten, die machtiger en rijker zijn dan de wettige regeringen. Van alle ebolafondsen die de VN in Liberia te besteden krijgt bijvoorbeeld, krijgt de Liberiaanse regering 7 procent ter beschikking. Van de ebolafondsen die andere hulporganisaties te besteden hebben, krijgt de Liberiaanse regering, of die van Sierra Leone, over het algemeen nul procent. Lokale hulporganisaties staan ook grotendeels buiten spel. In rampgebieden wereldwijd, gaat gemiddeld een miezerige 0,2 procent van alle internationale humanitaire hulpfondsen naar NGO’s van de landen zelf.

Aan de versterking van overheden en hun publieke sectoren besteden donoren en hulporganisaties nauwelijks geld en het beetje publieke sector wat er te vinden is, wordt door de hulpkaravanen ondermijnd. Met salarissen die tien, twintig keer zo hoog zijn als wat lokale overheden kunnen betalen, beroven hulporganisaties lokale ziekenhuizen van artsen en verplegend personeel, bedrijven van technici en scholen van onderwijzers en cruciale overheidsbestuurders kapen ze door die aan hulpprojecten te koppelen. In de populaire Nigeriaanse tv-soaps in West-Afrikaanse landen, zijn de helden steevast goedgeklede dudes met bolides en banen bij westerse hulporganisaties, zoals Unicef.

Dat het levensgevaarlijk is voor een bevolking om afhankelijk te zijn van buitenlandse hulp, werd door de uitbraak van ebola weer eens glashelder. Eigen overheden kónden op alarmbellen niet reageren en de Wereldgezondheidsorganisatie van de VN dééd het niet, omdat de WHO-afdeling Afrika bemand wordt door volk dat benoemd is om politieke redenen en niet omdat ze van Afrikaanse volksgezondheid hun prioriteit maken.

Te lang was Médecins Sans Frontières (MSF) de enige buitenlandse hulporganisatie die probeerde de ramp te keren. Totaal overweldigd, smeekten de artsen andere hulporganisaties om óók te komen.

De actieweek Stop Ebola van Giro555 komt via ‘actiebulletins’ op radio en tv tot ons. Er wordt live geschakeld met Bekende Nederlanders die de telefoon aannemen. Bel ze vooral en wissel ideeën over hervorming van de hulpindustrie met ze uit. Zij en u moeten het doen, want het zelfreinigende vermogen van de hulpbranche is nihil. Sinds de veelbekritiseerde hulpactie voor Rwandezen in Goma in 1994, stapelden evaluaties, conferenties, workshops en commissies zich op, zonder structureel effect.

Waarom zou je ook, als hulporganisatie, streven naar je eigen overbodigheid, omdat ontvangers mede dankzij jou sterk genoeg werden om jou niet meer nodig te hebben?

Nee, de enige hoop voor ontvangende landen is dat er steeds meer particuliere donateurs, zoals u, op zoek gaan naar ‘goede humanitairen’, die gespeend van eigenbelang doen wat nodig is. Journalisten moeten zich ook niet zo in laten palmen. Pleeg onderzoek naar wat ontvangers nodig hebben om zich van onze liefdadigheid te kunnen bevrijden.

De verandering in deze branche moet komen van de mensen die het niet gewoon lekker vinden om aan die hendel te trekken, die tong tussen die lippen te zien verdwijnen en te genieten van het ‘kleng’ geluid.