Diep in mij ben ik niets dan liefde

De gevoelsdichter, revolutionair en dogmaticus hield oprecht en tegelijkertijd van drie vrouwen. Dat bewijzen de nu gebundelde, stralende brieven die hij aan zijn minnaressen schreef. Een charismaticus met een groot reservoir aan liefde!

Jenne Clinge DoorenbosAda Prins Lino’s Pita Snoeck\De Korenmaat

Eén man, drie vrouwen. Grote, vurige liefde. Niet voor één van die vrouwen, maar voor alle drie. ‘Ik kus je zacht en teeder mijn innig, innig Geliefde’, schreef hij de een. En enkele dagen later de ander: ‘Ik heb je teeder en teeder en teeder lief’.

Herman Gorter, de gretige gevoelsdichter die tot de dichtersgroep van de Tachtigers behoorde en indruk maakte met zijn Mei (1889) en zijn Verzen (1890), had geen talent voor matigheid. Niet in zijn poëzie (‘Gorter, Gorter! […] Korter! Korter! Korter!’ schreef een andere dichter) en niet in zijn dagelijks leven waarin hij fanatiek tenniste, zeilde, roeide, cricket speelde, alpentoppen beklom, in ijskoude bergbeken zwom of ’s morgens om vijf uur opstond voor lange wandelingen. Ook zijn politieke idealen waren verre van gematigd, hij radicaliseerde in de loop der jaren van SDAP-socialist tot communist, tot uitzonderlijk dogmaticus vol vlammende idealen over de ‘eenwording der menschheid’.

Dat zo iemand ook in de liefde ver reikt, spreekt haast vanzelf. ‘Het diepste innige gevoel voor de menschheid en het diepe gevoel voor de liefste, daar bestaat een verband tussen’, schreef hij. Zijn ontvankelijkheid voor dat diepe gevoel was kennelijk zó groot, het had aan de ‘menschheid’ plus één niet genoeg.

Het heet dat Herman Gorter (1864-1927) een ‘gecompliceerd’ liefdesleven leidde waarin hij de ene vrouw ‘bedroog’ met de andere. Wie Geheime geliefden leest, de nu verschenen brieven aan zijn twee vaste minnaressen, voorbeeldig bezorgd en geannoteerd door Lieneke Frerichs, leert al snel dat dat een oninteressante versimpeling is. De charismatische Gorter, zo blijkt uit de brieven, was een man met een onwaarschijnlijk vermogen tot liefhebben en een nog grotere aanleg voor het schrijven van liefdesbrieven. Duizenden schreef hij er. Vele gingen verloren, het boek bevat er een paar honderd en zelfs als je die leest denk je: hoe hield hij het vol. Het briefschrijven moet zijn tweede, haast zijn éérste natuur zijn geweest. En wat een reservoir aan liefde!

‘Je bent een echte echte lieve lieve vrouw. Ik kan nu weer over den rand van het leven heenzien. Net als op een boot over den rand zien en denken hoe heerlijk, hoe heerlijk.’ Of: ‘Zulk een gevoel had ik nog nooit, zoo innig, ik voelde je van in mijn uiterste voeten, tot in mijn mond en hoofd. Je weet niet hoe lief ik je heb’. Of: ‘Onze liefde is schoon. De prachtige verbinding van gouden zon en diepe gloed van water. Geliefde, ik heb je lief. Heb mij lief, geliefde.’

Verbondenheid

Gorters emotionele zinnen zijn zo ongepolijst en zo gericht op het uitdrukken van gevoelens van diepe verbondenheid, dat veinzen het laatste is waar je aan denkt. Het woord ‘bedrog’ komt pas bij je op wanneer hij opzettelijk begint te huichelen – ergens halverwege het boek. Dan komt het drama bovendrijven van de onderlinge verhouding tussen Gorters vrouwen: Wies Cnoop Koopmans, zijn echtgenote, met wie hij in 1890 trouwde en die in 1916 overleed; Ada Prins, de vrolijke en intelligente chemie-studente die hij bijlessen gaf en met wie hij rond 1900 een verhouding kreeg, en Jenne Clinge Doorenbos, mooi, onpeilbaar, kritisch en tweeëntwintig jaar jonger dan hij.

Jenne verscheen tien jaar na Ada en wist van haar bestaan. Ze besefte heel goed dat ze de derde vrouw was in Gorters leven. Maar toch werd zij zijn grootste liefde. Zijn brieven aan haar zijn zo onstuimig en overweldigend, dat je je niet anders kunt voorstellen dan dat Jenne wist: het beste deel is voor mij.

Maar Ada! De tweede vrouw, de eerste minnares, de vrouw die Gorter opwekte uit een ingeslapen huwelijk, die zijn zinnen prikkelde en na de dood van de wettelijke echtgenote hoopte op een gezamenlijk leven – Ada heeft nooit geweten dat er nóg een vrouw was. ‘Van Gorters relatie met Jenne Clinge Doorenbos was zij niet op de hoogte’, schrijft Frerichs droog. Pas toen Gorter in 1927 overleed, hoorde ze ervan. Hoorde ze dat haar geliefde was gestorven in het bijzijn van een andere vrouw. Met wie hij toen al zeventien jaar een verhouding had.

Het is fascinerende kennis voor wie de brieven in Geheime geliefden leest. Ze beginnen in 1901, met vrolijke, zinnelijke brieven aan Ada. ‘Kom toch eens hier mijn liefste en laat ik je eens overal op je wangen en op je borsten en op je handen en op je mond kussen’. Gorters brieven stralen. Hij bedankt Ada steeds voor de manier waarop ze hem het plezier in het leven heeft teruggegeven, kan haar nauwelijks missen, is lief voor haar, zegt haar te begrijpen.

Kink in de kabel

De brieven bestrijken vele jaren. Soms is het een tijd stil, omdat ze samen op vakantie zijn of doordat er niets bewaard is gebleven – Ada schijnt vele brieven te hebben vernietigd. In 1907 is er een kink in de kabel, als in Ada’s leven een andere potentiële partner opduikt. Gorters reactie is minder ruimhartig dan je zou wensen: hij vermeerdert zijn liefdesverklaringen, waarmee hij haar vaster aan zich bindt.

Aangrijpender wordt het als Jenne haar intrede doet. Tegenover haar is Gorters toon veel hoogdravender dan tegenover Ada. Hij wil indruk maken, is overdonderd door haar ‘diepte, schoonheid, zachtheid en goedheid’ en twijfelt over haar liefde voor hem: ‘Ik weet niet of je mij ooit genoeg lief zult hebben. In mijn diepste hart denk ik altijd van niet en ik heb de stille zachte overtuiging dat je nooit van mij zult zijn, maar voor mijn gevoel aan jou doet dat niets af’.

Uiteindelijk barst de liefde in volle hevigheid los en roept hij zichzelf op ‘uit jou oneindige schoonheid, vereering voor de schoonheid en liefde voor de schoonheid te putten’. Ze wordt zijn muze. Ze leest alles wat hij schrijft, hij begint aan zijn omvangrijke dichtwerk Pan dat op haar geïnspireerd is. Steeds meer raken hun levens verbonden.

En what about Ada? denk je. Gorter blijft haar schrijven, blijft haar ‘mijn Baby, mijn Kind, mijn Vrouw’ noemen. Maar er sluipt iets akeligs in de brieven. Wanneer hij smoezen begint te verzinnen. Wanneer hij op kennelijke verwijten reageert met verwijzing naar zijn drukke werk, zijn zwakke gezondheid, zijn grote Literaire Opdracht. Wanneer je gelijkende passages gaat herkennen. Schreef hij Ada ooit: ‘ik denk eigenlijk altijd maar aan twee dingen. Aan het socialisme en aan jou’; nu schrijft hij unverfroren aan Jenne: ‘Diep in mij zijn twee gedachten. Ze zijn aan jou en aan de menschenwereld.’ Als hij dan op zeker moment hun koosnamen door elkaar begint te halen, zijn toon tegenover Ada gespeeld kinderlijk wordt en hij hen allebei schrijft ‘nooit eerder’ zo’n grote liefde gekend te hebben, ‘boven alles en alles’, is de lol er wel een beetje vanaf. Pas als Gorters echtgenote Wies doodgaat, in 1917, komt de oorspronkelijke innigheid in de brieven aan Ada terug. Twee vrouwen is kennelijk toch hanteerbaarder dan drie.

Beide vrouwen blijven Gorter trouw tot zijn dood in 1927. Ze delen in alle grote gebeurtenissen in zijn leven: het schrijven en publiceren van zijn latere literaire werk, zijn betrokkenheid bij de socialistische strijd. Hij houdt hen op de hoogte van zijn reizen, debatten, lezingen, van de brieven die hij van Lenin ontvangt (twee op één dag!), van zijn bezoek aan Rusland na de revolutie en hoezeer hem alles aangrijpt – ‘de geheele revolutie heeft als een verschrikkelijke aardbeving op me gewerkt. Mijn geheele wezen is erdoor ondersteboven gekeerd’.

Het is ontroerend om te zien hoezeer hij uiteindelijk gedesillusioneerd raakt en zich steeds meer op zichzelf terugtrekt, in Bussum, in Bergen aan Zee, in Zwitserland. Kiezen voor één van hen doet hij niet, sadder and wiser groeit hij naar zijn einde toe. ‘Het is zoo heerlijk in stille afwachting te zijn, het heele leven. Ik ben mijn leven lang in stille afwachting. In diepe stilte. Ik maak wel veel spektakel en doe mee aan allen strijd, ik strijd zelfs veel, maar diep in mij ben ik in stille afwachting. Diep in mij ben ik niets dan liefde.’

Vlammen

Zo vormen de brieven een prachtig portret van Gorter, de revolutionair die in zijn poëzie de nieuwe tijd wilde vormgeven, de dichter die in de liefde zowel wilde vlammen als uitrusten en een hart had zo groot dat er verschillende vrouwen inpasten. Ze geven ook een beeld van hoe hij zijn vrouwen zag: Ada de kiene wetenschapster met wie het ongecompliceerd praten en vrijen was; Jenne mooi, gereserveerd, etherisch.

Maar waren ze ook werkelijk zo? En echtgenote Wies, nota bene zijn maatje in de socialistische strijd, die wist van zijn affaires, hoe was die? Het waren intelligente vrouwen met vermoedelijk een vrije geest. Geen vrouwen die genoegen namen met snippers – en snippers kun je de karrenvrachten van liefde die Gorter over ze uitstortte onmogelijk noemen. Maar kozen ze bewust voor een leven in die niet-conventionele setting? Hebben ze meer gewild? Wilde bijvoorbeeld geen van hen ooit een kind (sowieso opmerkelijk dat ze nooit zwanger werden van de libidineuze dichter)? In Gorters brieven aan hen draait alles rond zíjn hart; híj is het middelpunt. Gezien de liefde die ze in hem wisten op te wekken word je verschrikkelijk benieuwd naar henzelf.

Hun brieven zijn niet bewaard gebleven. In het nawoord komen ze heel even aan het woord; Frerichs, getrouwd met de inmiddels overleden Gorterkenner Enno Endt, heeft hen in de jaren zeventig allebei ontmoet. Zij vertelt hoe Ada, nadat ze van de schrik over de andere geliefde bekomen was, zich later afvroeg of Gorters brieven aan haar wel ‘waarheid’ bevatten. Dat hij haar onwetend liet, noemde Ada ‘niet góed van de gróte dichter Hérman Górter’.

Je zou inderdaad willen dat hij Ada verteld had over Jenne. Haar serieus nemend en de kans gevend er op te reageren. Zo had hij zichzelf niet alleen getoond als een mens met een groot hart, maar ook als een groot mensch, bereid om haar te verliezen. Maar hij hield van haar. Van hen.