De Boekhouder hongeren we uit

Aan de rand van de Sovjet-Unie groeit een verloren generatie op. Een despoot is er de baas en menig leven loopt er slecht af. Lees deze meeslepende zedenroman.

Tekening Paul van der Steen

Acht jaar geleden schreef Sana Valiulina een roman over de schrijnende lotgevallen van haar ouders onder het regime van Stalin. Ze schreef Didar en Faroek, zo vertelde ze in een interview in deze krant, in het Nederlands, en dus niet in het Russisch, omdat ze anders het gevoel had dat de zo bewonderde Dostojevski en Tolstoj veel te vaak over haar schouder meekeken. Ze deed er vier jaar over en was daarna een flinke tijd ‘Rusland-moe’. In Honderd jaar gezelligheid (2010) boog ze zich, ter afwisseling, over de morele wanorde in Amsterdam en de rest van Nederland.

En nu, in haar inmiddels vijfde boek, keerde ze terug naar de voormalige Sovjet-Unie. In Kinderen van Brezjnev, de titel zegt het al, gaat het om de generatie die, net als Valiulina zelf, geboren werd in de jaren zestig en opgroeide in de jaren zeventig en tachtig. ‘De generatie min’, zoals deze ‘kinderen van Brezjnev’ in de roman ook wel worden genoemd, is een generatie van wie men weinig verwachtte. Er werden nog wel ‘pioniers- en Komsomolvergaderingen’ gehouden op scholen, maar het merendeel van de scholieren geloofde allang niet meer in de communistische heilstaat waarin iedereen gelijk en gelukkig zou zijn, en alle jaloezie, bezitsdrang en agressie uitgebannen.

Valiulina (Tallinn, 1964) situeerde haar meeslepende, vaak ook nogal spannende roman niet in Moskou of op een andere min of meer centrale plek, maar in Estland, waar ze zelf geboren is, ‘aan de rand van het Imperium’, zoals het hier heet. De Esten, zo blijkt al snel, voelen zich een soort tussenvolk, half Europees, half Russisch. Zij zitten ingeklemd tussen Finland, met zijn lokkende vrijheden en begeerlijke spullen, en de rest van de Sovjet-Unie met zijn marxistisch-leninistische doctrine die steeds meer aan het afbrokkelen is, zodat het grote land aan steeds meer verwarring ten prooi is.

De hoofdstad Tallinn, gelegen aan de Finse Golf, wordt hier, met een mooi beeld, voorgesteld als een gespleten dier, met een kop en een staart. Zijn ogen zijn gericht op de Finse kust, waar ‘verblindende wc-potten’ te koop zijn, ‘shampoo, panty’s en in onberispelijke plakjes gesneden gerookte worst’. Achter zijn staart daarentegen, landinwaarts, ligt ‘het grijpgrage duister’ dat ‘nu en dan een paar willekeurige burgers opslokte’.

Ideaal of materie?

In ruim vijfhonderd drukbevolkte bladzijden laat Valiulina zien dat er een hele generatie opgroeit die niet weet waar ze het zoeken moet: in de wetenschap of de handel, in zichzelf of in een collectief, in samenwerking of in machtswellust, in ideaal of materie, in liefde of seks, in hard werken of alcohol, in winst of schoonheid, in waarheid of compromis, in dwang of vrijheid, in goed of kwaad. Hierover wordt opvallend van gedachten gewisseld, meestal zonder dat de sprekers het met elkaar eens worden.

Valiulina voert ons daarbij van de Estse kustplaats Ruha (jaren zeventig), via de hoofdstad Tallinn (na 1989) naar het eigenaardige toekomstland Gazolia (na 2014), waar alles glimt en in futuristische sferen is opgetrokken en men elkaar betaalt in ‘oils’. En waar een nieuw soort despoot, die zich ‘Overste’ laat noemen, vanachter de ramen van zijn paleis minzaam neerkijkt op zijn gehoorzame, ogenschijnlijk tevreden volk.

Ze maakt de geschiedenis aanschouwelijk door per episode in te zoomen op een paar figuren met wie het niet goed afloopt. Zo zien we hoe de bleue gymnasiaste Vera langzaam ingesponnen raakt in een wreed, collectief ritueel waaraan ook haar eigen vriendje deelneemt – uit angst om uit de vriendengroep verstoten te worden.

In een volgende episode maken we kennis met de voormalige literatuurdocent Kostja, die Dostojevski en Tolstoj inruilt voor een snelle carrière in de handel, om aan de materiële behoeften van vrouw en dochter te kunnen voldoen. Hij moet zijn financiële vlucht bekopen met een onfortuinlijke ontmoeting bij een steengroeve.

Net als in Didar en Faroek schuift Valiulina in het laatste deel van de roman een gewetensvol personage naar voren, dat weigert zich te voegen naar een hem onwelgevallige opdracht van hogerhand – ten koste van zijn vrijheid, zijn gezondheid, zijn levensgeluk en ten slotte zijn leven zelf. Deze Boekhouder wenst niet te sjoemelen met cijfers en blijft erbij dat er door staatsambtenaren is gefraudeerd. Valiulina laat, in luchtige en nuchtere bewoordingen, zien hoe zijn moraal ongebroken blijft, ondanks martelingen, vernederingen en een ellendig verblijf in een ouderwetse, stinkende kerker vol ongedierte, waar hij langzaam wordt uitgehongerd.

Een van de hoogtepunten in deze kleurrijke roman is wel het openhartige gesprek tussen de Overste en deze klokkenluider. De grote baas komt hem hoogstpersoonlijk in zijn stinkende kerker opzoeken omdat hij met eigen ogen wil zien hoe een mens in zulke barre omstandigheden zijn waardigheid weet te behouden.

Stinkende kerker

Ook verder staat deze passage bol van de tegenstellingen: schoon geweten in smerige omstandigheden, ongebroken geest in gebroken lichaam, een weldenkend individu dat zich opoffert voor een voos en ondankbaar collectief. Zoetsappig of larmoyant is dit laatste hoofdstuk niet, want een happy end zit er voor de sympathieke Boekhouder bepaald niet in, ondanks vage beloften van de Overste.

De gedachte die Valiulina hier helder en duidelijk overbrengt is dat een land waarin brave burgers het loodje moeten leggen omdat zij zichzelf en hun principes niet willen verloochenen, niet kan deugen. Zij gelooft alleen nog in mooie verhalen over het land waarin zij vijftig jaar geleden geboren werd, niet in het hopeloos verdeelde land zelf. Zo’n rijke, hedendaagse zedenroman hadden Dostojevski en Tolstoj vast ook wel geschreven willen hebben.