Titanenstrijd van Inter en Milan heet nu ‘de kleine derby’

Crisis in voetbalstad Milaan, waar Milan en Inter het slecht doen. Het is niet het enige probleem in Italië: ook het nationale team schuttert. Meer Italianen op het veld wordt de eis.

De vorige week aangestelde trainer Roberto Mancini van Inter voorafgaand aan de wedstrijd tegen stadgenoot Milan. Foto Reuters

Milan-Inter, derby van de armoede? Zeg dat niet te hard in restaurant Alla Collina Pistoiese in hartje Milaan. Eigenaar Filippo Giordano kijkt erbij alsof één van zijn bedienden net een bord spaghetti op de grond heeft laten kletteren. Alla Collina Pistoiese, gelegen op een steenworp afstand van De Dom, is niet zomaar een restaurant. Sinds de opening, in 1938 door de overgrootvader van Filippo, zijn ze er al voor Inter. „Alle grootheden hebben hier wel een keer gegeten”, zegt hij als we voor een indrukwekkende wand zwart-witfoto’s staan. „Daar”, wijst hij naar een kampioensfoto. „Helenio Herrera, trainer van Il Grande Inter.” Het herinnert aan de rijke historie van Internazionale – Herrera won in de jaren zestig drie landstitels en twee maal de Europa Cup I met Inter.

Dat was toen. Anno 2014 speelt Inter een bijrol. Zowel in Italië als in Europa. Inter staat negende in de competitie, veertien punten achter koploper Juventus. Vanavond spelen de Nerazzurri Europa League. Bij stadgenoot AC Milan is de situatie niet veel beter. Geen Europees voetbal dit jaar, en ook de kansen op de landstitel lijken verkeken. Milan staat zevende in de Serie A. Het team wordt, na het ontslag van Clarence Seedorf, gecoacht door een oud-speler, Filippo Inzaghi. Hij wiebelde zondagavond wat ongemakkelijk op zijn stoel toen hem op de persconferentie na Milan-Inter (1-1) gevraagd werd naar de status van zijn Milan. „Als je kijkt naar de geschiedenis van deze club zie je duidelijke cycli”, begon Inzaghi. „We hebben geweldige jaren gehad met Milan. Nu zijn we opnieuw aan het bouwen. Maar om goed te kunnen bouwen, moeten we eerst terug naar de basis. En dat heeft tijd nodig. De wil is er, net als een goede organisatie. Onze presidente [clubeigenaar Silvio Berlusconi] is de succesvolste voorzitter ooit.”

Berlusconi, sinds 1986 eigenaar van AC Milan, opperde het idee om het voetbal weer ‘Italiaanser’ te maken. „Het maakt me soms machteloos om allemaal buitenlanders in Italiaanse teams te zien”, zei Berlusconi onlangs. „Voor de toekomst hoop ik op een Milan dat volledig uit jonge Italianen bestaat.” Bij Milan-Inter verschenen zondag slechts vijf Italianen aan de aftrap. En het niveau van het duel was bedenkelijk. ‘Little Derby’, kopte La Gazzetta dello Sport maandag. Veel foute passes, veel misverstanden en veel overtredingen.

Ook de Italiaanse bondscoach Antonio Conte sprak alarmerende woorden over de status van het calcio. Hij uitte zijn zorgen vorige week na de gewonnen interland tegen Albanië (1-0). „De opleiding bij onze clubs laat nog veel te wensen over”, vindt Conte. „Onze jonge spelers missen kracht, zijn niet scherp genoeg en niet in staat om tot het einde door te gaan”, somde de oud-trainer en oud-speler van Juventus op.

Prompt kwam er twee dagen later een aankondiging van de Italiaanse voetbalbond. Vanaf het seizoen 2016/2017 mogen Italiaanse clubs nog maximaal 25 spelers inschrijven voor de Serie A. Daarvan moeten minimaal vier spelers de Italiaanse nationaliteit hebben en nog eens vier andere contractspelers moeten afkomstig zijn uit de eigen jeugdopleiding. Momenteel voldoet geen van de twintig clubs uit Serie A aan dit criterium. Dat het een initiatief betreft uit de koker van Carlo Tavecchio, directeur van de Italiaanse voetbalbond, die onlangs nog geschorst werd voor zijn uitspraak „bananen etende buitenlanders”, is verder toeval. Zegt men.

Maar in Italië wordt de laatste jaren wel vaker de noodklok geluid. De Serie A, eind jaren tachtig en begin jaren negentig nog de grootste competitie ter wereld, is voorbijgesneld door de competitie in Spanje, Engeland, Duitsland en Frankrijk. Vorig seizoen werd dat onderstreept; geen enkele Italiaanse club plaatste zich voor de kwartfinale van de Champions League. „Voetbal is een weerspiegeling van de samenleving, en dat geldt al helemaal voor Italië”, zei de Italiaans-Nederlands voetbalmakelaar Mino Raiola ooit. „Het Italiaanse voetbal is zo gepolitiseerd dat clubs niet mee kunnen met de moderne tijd. Als clubs een nieuw stadion willen bouwen, zijn er zoveel politici die zich daar mee bemoeien dat de bouw nooit van de grond komt. Er is nooit geld. De infrastructuur in Italië moet verbeterd worden, de jeugd moet op een andere manier opgeleid worden: pas dan kan je weer terugkomen aan de top. Maar dat zie ik niet in een paar jaar gebeuren.”

Een extra moeilijkheid in het uitvoeren van consistent beleid is het grillige karakter van clubbestuurders. De Indonesische zakenman Erick Thohir, die vorig jaar voor naar schatting 350 miljoen euro een belang van zeventig procent in Inter kocht, besloot trainer Walter Mazzarri de bons te geven na een matige seizoensstart.

Bij Inter keerde zondagavond een oude bekende terug op de bank, coach Roberto Mancini. Hij werd vorige week aangesteld. „Ik had niet verwacht dat ik de situatie in vijf dagen zou veranderen”, zei hij na. „Maar dit is een goed begin. Inter heeft tijd nodig om terug te keren in de top.” De vraag is of hij die tijd krijgt.