Reuzekoppen in de kerk

Tijdens Amsterdam Art Weekend is een lichtwerk van Tony Oursler op de gevel van het Stedelijk Museum te zien. Tegelijk exposeert hij nieuw werk in de Oude Kerk.

Hij was de man van die poppen: lachende, kreunende, murmelende, krijsende poppen. De Amerikaanse kunstenaar Tony Oursler (1957) veroverde er eind jaren tachtig, begin jaren negentig de kunstwereld mee, die toen nog fel conceptueel gekleurd was. Ourslers werk was dat helemaal niet. Zijn bizarre, op verfrommelde bundels en objecten geprojecteerde videobeelden van menselijke gezichten deden aan goochelkunst denken, aan wonderlijke magie én hekserij. Want Ourslers bewegende schepsels waren geen lieverdjes.

Ze rolden met hun ogen, vertrokken hun gezicht, fleemden, lispelden en lachten maar konden ook ontploffen van woede. Net als zijn Westcoast-kompanen Paul McCarthy en Mike Kelley, zocht Oursler met zijn vloekende Fuck You Man en Get Away Man de provocatie: deze poppen waren de gruwelijke tegenpool van alles wat in kinderhandjes zacht, lief en vrolijk is.

Maar je kunt niet altijd de man van die poppen blijven. Ourslers succes – hij werd na een expositie in het Stedelijk Museum uitverkoren voor de Documenta in 1992 – bleek allengs een strop die zich steeds nauwer om zijn hals sloot. Na een tentoonstelling in 1995 in het Eindhovense Van Abbemuseum werd het stil in Nederland. Was Oursler gewoon de zoveelste hype?

Nee, want vanaf vandaag is de kunstenaar weer op twee prominente plekken in Amsterdam aanwezig met nieuw en oud werk. In de Oude Kerk en – vanaf dit weekeinde – op de buitenkant van de ‘badkuip’ van het Stedelijk Museum. Daar is een projectie te zien met gedigitaliseerde, religieuze artefacten die om hun as draaien.

Twee jaar terug kwam Oursler voor het eerst in de Oude Kerk. Hij liep onder de houten spanten door, zat op de sierlijk bewerkte koorbanken, wandelde van Raadskamer naar Spiegelkamer naar Heilig Graf, en liet ondertussen vooral het licht op zich inwerken dat in ontelbare variaties door de gebrandschilderde ramen naar binnen viel. In deze kerk, die nog zelden als kerk functioneert, met lege nissen, bewerkte grafstenen onder je voeten, en om de hoek het rumoer van een 21ste-eeuwse hoerenbuurt, ontstond Input/Output underflow.

De totaalinstallatie bestaat uit zes nieuwe videoprojecties, die gaan over de dominante rol van digitale techniek in ons dagelijks leven. Als iedereen zichzelf tot vervelens toe via internet kan vermenigvuldigen, zo vroeg Oursler zich af, waar bestaat onze identiteit dan uit? Aanvaarden we dat de techniek waarmee we werken voor de meesten onder ons abracadabra is? Aanvaarden we überhaupt dat de beelden die we zien zijn gemanipuleerd?

Wat opvalt aan de nieuwe werken is hun soberheid. Hoog in het plafond van de kerk, op het gebrandschilderde Maria-raam en laag in de koorbanken verschijnen reusachtige gezichten en piepkleine mensjes. Weg zijn de tronies. Weg is het gekrijs. En daarmee is ook een groot deel van de betovering verdwenen. De hoofden en lichamen in de kerk – helaas niet altijd goed te zien door het licht – kunnen net zo goed van u of mij zijn. De hoofden praten voor zich uit. Hun beeltenis wordt afgewisseld door driedimensionale beelden van voorwerpen uit Ourslers atelier: laptop, lamp, telefoon – zaken die we in de nabije toekomst ongetwijfeld kunnen printen.

Ourslers nieuwe protagonisten zijn profeten, dichters, in trance geraakte waarzeggers, hackers. Ze nemen flarden van teksten in de mond die weinig uitleg behoeven. ‘Ik kan alles zien’, zegt de actrice Phyllis Ma als een eigentijdse big brother op het plafond van de kerk. ‘Niets kunnen jullie voor mij verborgen houden.’ ‘I’m gonna destroy your images’, prevelt een onder een laken verstopte man op een muur. ‘Turn off the machine’, krijt een kortgejurkt meisje dat is geprojecteerd op een houtsnijwerk in een koorbank.

Het probleem met Ourslers nieuwe werk is niet dat de vragen die hij stelt bekend zijn. De pijn ligt elders. Oursler slaagt er ondanks de technische hoogstandjes niet in om zijn zorgen in een interessante, beeldende vorm te gieten. Een verzameling hoofden die in aforismen grossieren, is ontoereikend. Bovendien is het sjabloon van aanpassing en verzet dat Oursler ons voorspiegelt te simpel. Zo’n sjabloon stemt niet tot nadenken, integendeel.

Ourslers beste nieuwe werk is niet toevallig het allereenvoudigst en heeft de minste pretenties. Talking Light (2014) bestaat uit een grote glazen peer aan een draad die aan- en uitgloeit op het geluid van een stem. Ga zitten op de kerkbank, laat je meevoeren op de kracht van licht en geluid, en zie: hier hoeft nauwelijks techniek aan te pas te komen.