Schilderijen kijken terug in magische museumdocumentaire

Muziek is de kunst die op IDFA op de voorgrond treedt. Het festival opende met Heddy Honigmanns film over het Concertgebouworkest, Around the World in 50 Concerts. Maar ook beeldende kunst is aanwezig. Toeval of niet, dit jaar zijn er drie documentaires over klassieke musea in Europese hoofdsteden, de National Gallery in Londen, het Kunsthistorisches Museum in Wenen en het Rijksmuseum: de concertgebouworkesten van de beeldende kunst.

Het zijn musea waar je zou willen wonen, ze herbergen alle drie zoveel moois. De National Gallery heeft bijvoorbeeld De man met de tulband van Jan van Eyck en De ambassadeurs van Hans Holbein; het Weense museum herbergt onder veel, veel meer een Toren van Babel van Breugel en Van Eycks Portret van kardinaal Albergati; het Rijksmuseum Coortes asperges en Saenredams kerkinterieur. Allemaal hebben ze werk van Vermeer en Rembrandt. De musea lijken dus op elkaar, en dat doen de films ook, nog meer dan je op grond van het onderwerp zou verwachten. In alle drie kom je over de musea weinig feiten te weten, wanneer ze zijn opgericht en door wie, hoe groot de collectie is et cetera. Kijk maar op Wikipedia.

De beroemdste documentairemaker van de drie, Frederick Wiseman, filmde de National Gallery, zoals gebruikelijk ogenschijnlijk zonder commentaar. Oeke Hoogendijks Het nieuwe Rijksmuseum – genomineerd voor de prijs voor Nederlandse documentaires – is de filmversie van haar al veelgeprezen tv-serie, die eigenlijk niet over een museum gaat maar over de verbouwing en steeds uitgestelde opening, wat ontegenzeggelijk spannender is dan de zoveelste rondleiding of restauratie, hoe gepassioneerd de uitvoerders ook zijn.

Des te knapper dat Wiseman zijn eigen spanning weet te creëren, zijn eigen lyriek, door telkens weer, maar zo terloops dat je het nauwelijks merkt, in te zoomen op de Londense schilderijen en de mensen die daarnaar kijken. Aan het slot kijken de schilderijen terug. Toch magie.