Er zijn emoties waar geen straf tegen op kan

Als je zelf verdachte bent, wil je dat de rechter let op de oorzaak van je gedrag. En hoop je op een lage straf. Als slachtoffer vind je dat smoesjes.

Als iemand wordt doodgereden in het verkeer, is het soms een ongeluk en soms is er een schuldige. Dat klinkt logisch, maar het verschil tussen ongeluk en schuld is in het verkeer vaak subtiel en moeilijk vast te stellen, terwijl de consequenties sterk verschillen. In het eerste geval krijgt de dader geen – zware – straf, in het tweede geval kan hij een flinke gevangenisstraf krijgen.

Bij nabestaanden leidt dit regelmatig tot woede en onbegrip. Vorige week gooide een getergde vader een stoel naar een Limburgse rechter. Zij had net 120 uur werkstraf opgelegd aan de 33-jarige man die zijn 2-jarige dochter en haar grootouders had doodgereden. En in Den Haag brak vorig jaar een vechtpartij uit toen de officier van justitie een taakstraf eiste voor het doodrijden van de 13-jarige Donnie Rog.

„Naast zedenzaken zijn verkeersongelukken voor rechters de moeilijkste zaken die er zijn”, zegt Rinus Otte, voormalig hoogleraar verkeersrecht in Groningen en raadsheer bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Allereerst vanwege de heftige emoties bij de familie van de slachtoffers. Emoties die voor de rechter dichtbij komen, zegt Otte. „Ook rechters nemen deel aan het verkeer en maken fouten. Dit soort ongelukken komen dus veel dichterbij dan moord of doodslag.”

Maar de rechter weet ook dat er lang niet altijd een straf tegenover zal staan, laat staan een stevige. Want, en dat is de tweede complicatie, in het verkeer kan een kleine vergissing of een moment van onoplettendheid enorme gevolgen hebben. Otte: „Het gaat bij verkeersongelukken in de kern van de zaak vaak om overtredingen die iedereen maakt. Ook de nabestaanden en medewerkers van justitie rijden waarschijnlijk wel eens te hard.”

Miljoenen overtredingen per jaar

Otte wil maar zeggen: er worden miljoenen verkeersovertredingen per jaar begaan, en die worden relatief licht bestraft.

Eind vorige eeuw zijn de lichte overtredingen uit het strafrecht gehaald, om ze krachtens de Wet Mulder af te doen met een bestuurlijke boete. En iedereen klaagt over die boetes, omdat men z'n eigen overtredingen niet zo ernstig vindt.

„Daarmee zijn we verkeersovertredingen eigenlijk als bagatellen gaan zien”, zegt Otte. Als er slachtoffers vallen wordt er ineens wél om hoge straffen gevraagd, maar de ernst van de gevolgen zijn niet doorslaggevend voor de strafmaat. „In het Nederlandse rechtssysteem wordt de straf afgestemd op de mate van schuld, niet zozeer op de ernst van het gevolg.”

Die ambivalentie is eigen aan het strafrecht: de burger die zelf verdachte is, vraagt de rechter vooral te letten op de oorzaak van zijn gedrag – en daarin aanleiding te vinden voor een lage straf. Terwijl de burger die slachtoffer is vooral bezig is met de gevolgen, en verklaringen van de verdachte al snel ziet als ‘smoesjes’.

In het verkeer komen deze twee uitersten bijzonder dicht bij elkaar. Veel burgers maken verkeersovertredingen, en soms zijn ze er zelf het slachtoffer van.

Veel alcohol of zonder licht over de dijk rijden, dat is duidelijk

Bij de 600 verkeersdoden per jaar in Nederland zijn natuurlijk gevallen waarin het verschil tussen pech en strafrechtelijke schuld aan het ongeluk eenvoudig is, zegt Otte. „Als iemand op gladde banden met gedoofde lichten hard over de dijk rijdt, is het duidelijk. Of als iemand veel alcohol op heeft.”

Maar meestal is het lastiger. Als de verdachte iets te hard reed en niet meer kon remmen voor een plots overstekende fietser. Of als hij zegt dat hij het slachtoffer eenvoudigweg niet gezien heeft bij het rechtsaf slaan.

OM en rechter moeten bij verkeersdelicten altijd kiezen tussen twee wetsartikelen – met uitzondering van de gevallen waarin iemand zó roekeloos heeft gereden dat hij bijna bewust uit was op een ongeluk en er dus sprake is van opzet. Was het de overtreding ‘gevaarlijk rijgedrag’ (artikel 5 wegenverkeerswet), of het misdrijf ‘dood/letsel door schuld’ (artikel 6 wvw)? Bij een overtreding past een werkstraf, voor een misdrijf kan een gevangenisstraf worden opgelegd.

Toepassing van artikel 6 in plaats van artikel 5 vereist een „ernstige mate van verwijtbare onvoorzichtigheid”, legt Otte uit. Daarvoor is een enkele verkeersovertreding doorgaans niet genoeg. Iemand simpelweg niet zien of iets te hard rijden, levert geen schuld op.

Dat kan anders zijn als het een flinke snelheidsovertreding is, terwijl het óók donker is, of druk op de weg, en je dus eigenlijk je rijgedrag aan die omstandigheden had moeten aanpassen. Of als je herhaaldelijk dit soort overtredingen begaat. De schuldgraad kan bovendien variëren, van onachtzaamheid tot roekeloosheid, met bijbehorend oplopende straffen.

„De Hoge Raad heeft bewijstechnisch de onderkant en de bovenkant van dit schuldmisdrijf afgegrensd. Er is nu meer bewijs nodig om enerzijds tot een lichte vorm van verkeersschuld en anderszijds tot roekeloosheid te komen”, zegt Otte. Het wegen van bewijs in dit soort zaken is dan uitzonderlijk lastig, en kan er voor de burger al snel willekeurig uitzien.

Is er een oplossing?

Moet het dan niet anders, als de toepassing van deze regels op het verkeer zo lastig is dat het regelmatig groot onbegrip oplevert bij burgers? In het algemeen geldt dat het strafrecht niet alles kan oplossen. Het strafrecht is er niet – alleen – om de woede en het verdriet van de getroffen burger te compenseren.

Er zijn ook wel praktische oplossingen aangedragen, zoals het verplicht stellen van een soort ‘zwarte doos’ in auto’s, zodat achteraf altijd de snelheid kan worden vastgesteld. En Otte heeft een juridisch radicale oplossing: schrap ‘schuld’ uit de wegenverkeerswet. Dan blijven overtredingen over, die je zwaarder moet kunnen bestraffen dan nu, en opzet als er geen twijfel is over de bedoeling van de dader. En daar staan dan hogere straffen op. Maar voor al dit soort suggesties geldt: dat is aan de wetgever.

Lees ook: De feiten: dat hij te hard reed is niet zeker