‘Veel smeerlappen zag ik helaas niet’

De cultlegende reisde liftend van kust tot kust door de VS. „Ik walg nog steeds van de tirannie van goede smaak.”

John Waters: „De kans op erotiek maakte liften opwindend.” Foto Getty Images

Wat bezielt een 66-jarige cineast om van kust tot kust door de VS te liften van zijn huis in Baltimore naar zijn appartement in San Francisco, zo’n 4.000 kilometer? John Waters: „Kicks. Mijn nieuwe film, voor kinderen, wil maar niet vlotten. Ineens dacht ik: liften! Het zit in het collectieve bewustzijn van Amerika. Als tiener liftte ik van school naar huis in Baltimore, later naar Provincetown (homolustoord in de staat Massachusetts) waar ik al een halve eeuw kom. Ik wilde weten of verdorven mannen op wie ik als jongen mijn hoop had gevestigd, nog steeds achter het stuur zitten. De kans op erotiek maakte liften opwindend.”

Waters gold decennialang als de ultieme trash-kunstenaar. Zijn in Baltimore geschoten films als Pink Flamingos (1972) waren extreem, met als dieptepunt een hondenpoep etende Divine. Met Hairspray (1988) sloeg hij een andere weg in: beter verteerbaar voor een groot publiek. Hairspray werd een hit, zowel op Broadway als in Hollywood. Inmiddels wordt hij gezien als een van de belangrijkste vernieuwende filmmakers van Amerika.

Waters ontvangt in zijn sombere, door metershoge bomen ingesloten huis in een chique wijk van Baltimore. Het adres moet geheim blijven. Hij vreest ongewenst bezoek – van fans én haters. Links in de gang hangt een grote van onderen genomen foto van een jonge vrouw met gespreide benen. Aan het einde staat een elektrische stoel.

Schuin voor mij op tafel in de woonkamer liggen The Big Butt Book, The Big Book of Legs en The Big Book of Pussy. Waters heeft een bibliotheek van ruim 9.000 boeken. Veel fraai uitgegeven kunst, maar ook romans: Philip Roth, Ian McEwan. In zijn in 2010 verschenen essaybundel Role Models noemt hij zich een boekenwurm: „Rijk zijn draait niet om opbouw van vermogen of huizenbezit, maar om de vrijheid elk boek aan te schaffen dat je wilt, zonder op de prijs ervan te hoeven letten en je af te vragen of je het je kunt veroorloven.”

Waters is graatmager. Hij heeft een smal hoofd, indringende ogen en een venijnige stilettosnor. Hij gaat gekleed in een peperduur paars overhemd van zijn favoriete merk Comme des Garçons. De schoenen, eveneens van Comme des Garçons, hebben een open wreef zodat de sokken beter uitkomen.

De eerste foto in Role Models is een jeugdportret: Waters, gezeten achter een typemachine. Wie was er eerder, de schrijver of de cineast? „De schrijver, zonder twijfel. Als twaalfjarige jongen vermaakte ik mijn leeftijdgenoten met zelfbedachte griezelverhalen. En ik heb de scripts van mijn films zelf geschreven.”

Vijftien films, zes boeken, waaronder het onlangs verschenen Carsick, over zijn avonturen als lifter. Het boek is een bestseller, het bewijs dat Waters ook als auteur een breed publiek heeft aangeboord. De smeerlappen achter het stuur naar wie hij op zoek was heeft hij niet gevonden.

Waters: „Ik verwachtte te worden opgepikt door geile automobilisten. Het type dat om te beginnen even kwijt wil dat zijn vrouw hem niet meer pijpt. Dat soort mannen tref je blijkbaar alleen in trendy bars in steden als New York. Degenen die mij een lift gaven hadden vaak een stabiele relatie – maar niet met hun eerste vrouw. Zij hadden the great hot wife ingeruild voor een intelligente partner: type steun en toeverlaat.”

Voordat de lezer daaraan toekomt is er de provocateur Waters. Zijn fantasieën en nachtmerries onderweg leeft hij eerst uit voor hij begint aan non-fictie. Het eerste deel van Carsick is nadrukkelijk verwant aan zijn vroege films. „Ik zette mij in die films af tegen de zoetgevooisde hippiecultuur én tegen de tirannie van de goede smaak van de middenklasse. De ondergrondse bar- en sekscultuur van Baltimore was mijn domein. Je had vroeger The Block, een notoire buurt bij de haven. Een eiland van subversie, travestie, homoseksualiteit. Mijn kunst is daarop geïnspireerd.”

Het rechte pad heeft hem nooit getrokken. Zijn eerste vriend stal tapijten. Waters keek toe hoe hij te werk ging: overdag aanbellen, de vrouw des huizes met een smoes de keuken of woonkamer insturen, razendsnel de loper lichten en het tapijt in de gang eronderuit trekken. Waters stal zelf, uit winkels. Hij maakte zijn middelbare school niet af. Hij gebruikte hasj, wiet, lsd, amfetamines, opium, paddestoelen en cocaïne. Hij liftte, liet zich door mannen oppikken. Maakte alternatieve, extreme films die door zijn burgerlijke vader en een bevriende potdealer werden gefinancierd.

Zijn meest subversieve daad pleegde hij naar eigen zeggen door op de middelbare school vriendschap te sluiten met de enige Afro-Amerikaanse jongen in zijn klas. Hairspray was zijn antwoord op het rassenprobleem: „Ik ben Ricki Lake in die film: het onbekommerde meisje dat danst met zwarte jongens. Die film werd een hit, maar was op een subtiele manier ondermijnend. Het publiek sloot Ricki in het hart, maar wat zij deed ging in tegen de codes van deugdzaam blank gedrag.” Rassenscheiding, zegt hij, is er nog steeds, evenals discriminatie. „Iedereen weet dat er in getto’s strenger wordt gepatrouilleerd. En dat er harder wordt gestraft op het gebruik van drugs.”

In Carsick wordt stevig wiet gerookt, teken dat het gebruik ervan inmiddels breed is geaccepteerd. Amerika als softdrugsparadijs, het is niet langer ondenkbaar. Waters doet niet meer mee. „Twee keer per jaar rook ik nog een joint. Dan ben ik totaal van de kaart. Ik heb er geen tijd meer voor.”