Ja, industriebeleid is toch de moeite waard

Heeft industriebeleid zin? Bij die vraag zit ik als econoom wat onrustig op mijn stoel te schuiven. Wij hadden daar altijd een aantal simpele dooddoeners voor. Ik heb die zelf ook regelmatig gehanteerd: dat moet je niet doen. Dat is picking the winners. Daar zijn ambtenaren slecht in. Laat de overheid zorgen voor de goede randvoorwaarden, maar laat de markt bepalen welke bedrijven succesvol zijn. Deze redenering klinkt solide.

En laten we toegeven: het succes van TomTom heeft vooraf in geen enkele beleidsnota gestaan. Het bedrijf was er gewoon plotseling en we hebben er dankbaar van geprofiteerd.

Waarom dan toch dat onrustige geschuif op mijn stoel? Omdat er ook voorbeelden zijn van het tegendeel, gevallen waar het optreden van de overheid veel heeft bijgedragen aan het succes van een sector. De Nederlandse landbouw is zo’n voorbeeld. Decennialang hebben het bedrijfsleven en de overheid daar samen aan gewerkt. De sector had zelfs een eigen universiteit, de Landbouwuniversiteit Wageningen, in het buitenland de bekendste en meest gerenommeerde Nederlandse universiteit. Het succes had ook een industriële poot met bedrijven als FrieslandCampina.

De luchtvaart is een ander voorbeeld. Al voor de oorlog was er een intensieve samenwerking tussen Schiphol, de KLM en het ministerie van Verkeer en Waterstaat. Ambtenaren reisden de wereld af om landingsrechten voor Nederland binnen te halen. Planologische barrières voor groei van de luchthaven werden geslecht, en niet altijd zachtzinnig. Overigens, ook de groei van de landbouw ging niet zonder slag of stoot. Het mestprobleem stonk naar rotting en bederf.

De landbouw en de luchtvaart zijn niet de enige voorbeelden. Ook de hightechcluster in Eindhoven, de internethub in Amsterdam en – misschien wat wrang nu – de Nederlandse expertise op het gebied van belastingverdragen zijn het gevolg van succesvolle samenwerking tussen overheid en bedrijfsleven. Internationaal onderzoek bevestigt deze ervaring. In een markteconomie is iedereen zelf verantwoordelijk voor eigen succes en falen. Echter, het succes van een onderneming komt nooit alleen. Het is altijd ingebed in een keten van onderlinge leveranties tussen succesvolle bedrijven in gerelateerde activiteiten. Ricardo Hausmann, econoom aan Harvard University, spreekt in dit verband van het DNA van een economie. Grote databestanden van onderlinge leveranties tussen bedrijven maken het tegenwoordig mogelijk om deze ketens in beeld te brengen. Die ketens – het DNA – verschillen van land tot land. Dat DNA is bepalend voor toekomstige groei. Het verdient daarom zorgvuldig onderhoud. Industriebeleid dus. Leent dat beleid zich voor politieke bemoeienis? Nee, want het is een zaak van lange adem. De horizon van politici strekt uit de aard van hun vak niet voorbij de volgende verkiezingen.

Wat zou een minister van Economisch Zaken nu kunnen doen? Hij zou kunnen beginnen met het CPB te vragen om jaarlijks het DNA van de Nederlandse economie in kaart te brengen. Dat kost slechts een paar ton per jaar. De onafhankelijkheid van het CPB garandeert dat industriebeleid wordt gevoerd op basis van feitelijke informatie, los van toevallige belangen en voorbijgaande modegrillen. Verder heeft de minister een goed ambtelijke apparaat nodig dat aan de slag gaat zonder te worden lastiggevallen door de verplichte interdepartementale banencarrousel. En het vraagt goede relaties met het bedrijfsleven. En wat heeft Henk Kamp er zelf aan? Niks. Industriebeleid is een zaak van de lange adem. Pas de opvolger van zijn opvolger zal er de vruchten van plukken. Dat maakt het politiek minder aantrekkelijk, maar toch de moeite waard.