Hoe meer olie hoe meer geld voor Libische milities

De splijting van het Noord-Afrikaanse land bedreigt de eerlijke verdeling van winsten over de Libische strijdgroepen.

Een man verkoopt brandstof uit Libië in Djerba, Tunesië. Foto Biosphoto

Sinds in juli een burgeroorlog uitbrak in Libië tussen zwaar bewapende milities, exporteert het land paradoxaal genoeg meer olie dan lange tijd het geval is geweest. Zoveel zelfs dat de olieprijs er door gezakt is. De Libische centrale bank, de enige nog functionerende staatsinstelling van het land, verdeelt de olieopbrengsten netjes over de strijdende partijen. De meeste milities staan op de loonlijst van de overheid.

In september en oktober produceerden de Libische olievelden bijna 1 miljoen vaten per dag, tien keer meer dan de 100.000 vaten in juni. De stijging was het gevolg van een deal die de Libische premier Al-Thinni in april sloot met de federalisten, een groep die meer autonomie wil voor het oosten en die een jaar lang de olie-installaties bezette.

Al-Thinni was toen nog gewoon premier van Libië. Nu heeft Libië twee regeringen en twee parlementen, met allebei hun eigen leger. Al-Thinni staat aan het hoofd van de regering die voortgekomen is uit de verkiezingen van juni, waar de moslimfundamentalisten zwaar verloren. Hij houdt kantoor in Bayda en zijn parlement zit in Tobruk, allebei in het oosten.

De fundamentalisten weigerden zich neer te leggen bij die uitslag. In juli lanceerden ze, samen met de machtige militie uit de stad Misrata, een aanval op de luchthaven van Tripoli. Inmiddels controleren zij de hoofdstad, met zijn overheidsinstellingen. Ze hebben het oude parlement opnieuw bijeen geroepen.

Neutrale bank

Bijzonder is dat Libië wel twee regeringen heeft, maar slechts één centrale bank. Die is van heel groot belang, omdat via de centrale bank de olie-inkomsten uit het buitenland binnenkomen. „Beide kampen willen dat de olie-inkomsten blijven komen omdat zij het geld nodig hebben”, zegt Mattia Toaldo, Libië-deskundige bij de European Council on Foreign Relations. „Tot dusver is de centrale bank erin geslaagd neutraal te blijven. Zij beperkt zich tot het betalen van de lonen en van de subsidies voor de import van levensnoodzakelijke goederen.”

Maar dat model staat nu onder druk, en dat kan grote gevolgen hebben voor de oliemarkt. „Er zijn tekenen dat de regering van Tobruk een eigen centrale bank wil oprichten”, zegt Claudia Gazzani, Libië-deskundige van de International Crisis Group. „Dat is gevaarlijk: het wil zeggen dat zij proberen de olie-inkomsten voor zichzelf te houden en Tripoli af te knijpen. Als dat doorgaat, wordt de kans op een compromis heel klein.”

Het is ook een probleem voor de internationale gemeenschap, die Tobruk erkent als de legitieme regering van Libië. Maar een vonnis van het Libische Hooggerechtshof heeft roet in het eten gegooid: dat besliste op 6 november dat de verkiezingen van afgelopen juni ongrondwettelijk zijn verlopen.

Er zijn grote twijfels over dat vonnis. Stond het Hooggerechtshof niet onder druk van de fundamentalisten die Tripoli controleren? En als de beslissing inhoudt dat het parlement in Tobruk ontbonden is, volgt dan automatisch dat het oude parlement in Tripoli wel grondwettelijk is? „De internationale gemeenschap weet het ook niet”, zegt Gazzani. „Zij wil geen partij kiezen. Maar die neutrale houding wordt door beide kampen wel in hun eigen voordeel uitgelegd.”

Rode lijn

De mogelijkheid van een splitsing van de centrale bank baart de internationale gemeenschap grote zorgen. Gezant Bernardino Leon van de Verenigde Naties zei onlangs in een interview met de Spaanse krant El País dat het ondermijnen van de centrale bank een „rode lijn” is. „Wij hebben de Libiërs duidelijk gemaakt dat als zij die rode lijn overschrijden, sancties niet uitgesloten zijn. De milities die op elkaar schieten krijgen allemaal geld van de centrale bank; desnoods moeten we die lijn doorknippen.”

Het is cynisch, zegt Toaldo. „De centrale bank is voor de internationale gemeenschap veel belangrijker dan de oorlog. Tenminste, zolang de strijd de olieproductie niet in gevaar bracht.”

Problemen bij verschillende olie-installaties hebben de productie wellicht doen dalen tot zo’n 500.000 vaten per dag, wat nog steeds vijf keer meer is dan vóór het uitbreken van de gevechten.

Het El Sharara-veld in het westen is ingenomen door milities uit Tripoli, vermoedelijk een reactie op de plannen van Tobruk zich de olie-inkomsten toe te eigenen. De exportterminal van Hariga nabij Tobruk is stilgelegd door arbeiders die zeggen dat zij niet uitbetaald zijn.

De juridische knoop is langzamerhand niet meer te ontwarren. In maart nam de VN-Veiligheidsraad een resolutie aan die het verbiedt Libische olie te kopen van andere aanbieders dan de wettige regering. De resolutie was het gevolg van pogingen van de federalisten om zelf olie te verkopen uit de installaties die zij bezet hielden. „Maar nu is volstrekt onduidelijk wie de wettige regering is. Technisch gesproken is de Libische olie-export dus nu al illegaal”, zegt deskundige Gazzani.

Hij is één van de mensen die pleiten voor het bevriezen van de olietegoeden, tot er weer een regering is die dat geld wettelijk kan claimen. „Dit scenario komt in zicht zodra één van beide partijen aanstuurt op een splitsing van de centrale bank”, aldus Gazzani.

Russisch veto?

Het probleem is dat daarvoor wellicht een resolutie van de VN-Veiligheidsraad nodig is. Vermoedelijk zal Rusland dan zijn veto uitspreken. Moskou heeft recent de banden met Egypte aangehaald, en Kairo steunt voluit de regering in Tobruk in de strijd tegen de fundamentalisten.

Zowel Toaldo als Gazzani zegt dat juridische argumenten geen uitweg bieden. In Ghadammes, in het zuidwesten van het land, worden onder VN-auspiciën gesprekken gevoerd met het oog op een politiek compromis. „Een regering van nationale eenheid is de enige uitweg uit de impasse”, zegt Toaldo. „En dreigen met sancties kan een manier zijn om dat af te dwingen.”