Zeg het maar: wat moet de wetenschap doen?

Morgen vertelt minister Bussemaker welke kant zij op wil met de wetenschap. Die moet meer draagvlak krijgen in de samenleving. Burgers mogen meebepalen wat er onderzocht wordt.

Meer onderzoek naar schone energie? Meer wetenschappers die zich bezighouden met zaken die direct nut hebben voor de samenleving? Zeg het maar. Nederlandse burgers gaan meebepalen welk wetenschappelijk onderzoek de universiteiten en het bedrijfsleven samen gaan uitvoeren. Dat kondigt minister Jet Bussemaker (PvdA) van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan in haar Visie Wetenschap die ze morgenavond uitspreekt.

Het belangrijkste punt in die visie is dat er in de loop van volgend jaar een Nationale Wetenschapsagenda komt, die „een beperkt aantal” maatschappelijke thema’s selecteert waarop het onderzoek in Nederland zich sterker gaat richten. De agenda wordt opgesteld door universiteiten, hogescholen en het bedrijfsleven, in samenspraak met maatschappelijke organisaties, betrokken burgers en rijksinstituten zoals het KNMI. De coördinatie van het proces komt in handen van NWO, de organisatie die jaarlijks 625 miljoen euro aan onderzoeksgeld verdeelt. NWO zal hiervoor ingrijpend gereorganiseerd worden.

Zo’n agenda is volgens de minister een antwoord op een toekomst waarin de internationale strijd om kennis alleen maar zal toenemen. Kennis is een steeds belangrijkere bron van economische groei, door de productie van nieuwe technologieën en diensten, die elkaar bovendien in groeiend tempo opvolgen. De internationale concurrentie om wetenschappelijk talent en onderzoekslaboratoria van bedrijven neemt toe.

Een nieuwe stap naar meer ‘nut’

Daarnaast raken burgers steeds meer geïnteresseerd in de productie van nieuwe kennis, en ook betrokken daarbij. Denk aan de jaarlijkse vogeltellingen in de eigen achtertuin, en het meehelpen determineren van sterrenstelsels.

Tegelijkertijd weet die burger zeer effectief tegenspraak te organiseren als zijn of haar zorgen over bepaalde ontwikkelingen niet serieus worden genomen. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de weerstand tegen het baarmoederhalskankervaccin en de plannen om naar schaliegas te boren.

De Nationale Wetenschapsagenda moet met al deze trends rekening houden. Hij moet zorgen voor meer betrokkenheid en draagvlak vanuit de samenleving. Hij komt ook tegemoet aan de groeiende roep dat wetenschappelijk onderzoek maatschappelijk nut moet hebben. Verder profileert Nederland zich met die agenda sterker in de internationale arena, en dat moet meer buitenlands talent aantrekken.

De vraag is wel of universitaire onderzoekers nóg verder in hun vrijheid worden beperkt. De gekoesterde autonomie van de jaren 80 en 90, toen wetenschappers zelf mochten bepalen waaraan de tijd en het geld voor onderzoek besteed werden, was al verminderd door de groei van publiek-private samenwerkingen. Nu krijgt ook de burger inspraak.

Te veel invloed van bedrijven?

Toch is die groeiende verknoping met de maatschappij en het bedrijfsleven nodig volgens de minister, omdat het de uitwisseling van kennis versnelt. Zo komt het ook sneller tot toepassingen, en blijven bijvoorbeeld leraren en ambtenaren beter op de hoogte van de laatste ontwikkelingen.

Dat is precies waar de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) vorig jaar op hamerde in haar rapport Naar een lerende economie. Een klein land als Nederland doet er slim aan juist veel te investeren in het vermogen om alle kennis uit binnen- en buitenland te kunnen verwerken.

Daarom wil Bussemaker bijvoorbeeld weg van het systeem dat onderzoekers alleen beoordeelt op de wetenschappelijke artikelen die ze publiceren. Een onderwijscarrière moet beter beloond worden. En promovendi moeten beter worden voorbereid op een loopbaan buiten de wetenschap, bij het bedrijfsleven, de overheid of in het onderwijs.

De Wetenschapsagenda is te zien als een vervolg op het topsectorenbeleid, dat werd ingezet door het eerste kabinet-Rutte. Het wetenschappelijk onderzoek werd toen meer afgestemd op negen topsectoren, waaronder hightechsystemen (zoals onderzoek naar nanotechnologie) en agro-food (zoals de innovatie van de voedingsindustrie). De kritiek was toen dat het bedrijfsleven te zeer zijn stempel drukte op het onderzoek. Nu neemt de overheid weer meer de regie.