Sloom protest in cynisch Hongarije

Premier Orbán wil zijn land modelleren naar Rusland of China, maar de tegenstand blijft beperkt. Waarom?

Een demonstrante houdt een bord met spotprent van premier Viktor Orbán omhoog tijdens een protestbijeenkomst op Trafalgar Square, Londen, op 17 november j.l. foto’s AFP/AP

Hongaarse protesten volgen een vast stramien. „We komen, roepen en gaan terug naar huis”, lacht Péter (31), werknemer van een internationaal elektronicabedrijf, op een recente manifestatie in Boedapest.

Dat deden Hongaren de afgelopen weken met tienduizenden. In de hoofdstad en in kleinere steden wordt gedemonstreerd tegen een belasting op internetgebruik, tegen vermeende corruptie bij de belastingautoriteit en tegen de autoritaire neigingen van premier Viktor Orbán. Maar zijn al die acties een teken dat hij zijn greep op de macht verliest? Nee, daar lijken ze nog niet vitaal genoeg voor.

Sinds de conservatieve partij Fidesz van Orbán in 2010 voor de tweede keer aan de macht kwam, breidde ze haar controle over de samenleving uit. Sleutelposities bij de publieke omroep, in de magistratuur en de administratie werden ingenomen door mensen uit Fidesz-kringen. Met haar tweederde meerderheid in het parlement paste de partij het kiesstelsel aan in haar voordeel. Beschuldigingen van inperking van de onafhankelijkheid van de rechtsspraak en de invoering van een taks die vooral de onafhankelijke televisiezender RTL Klúb trof, zorgden voor een storm van internationale kritiek.

Veel demonstranten in Boedapest vinden dat hun democratie bedreigd wordt. „Dictator”, schreeuwen ze. „Orbán, oprotten! Fidesz maffia! Russen: naar huis!” Dat laatste is een verwijzing naar Orbáns banden met het Rusland van Vladimir Poetin.

Toch hangt er geen revolutionaire sfeer. Geen stenen, vuurwerk of molotovcocktails. „Kijk eens om je heen”, zegt Gergely Murányi, een 32-jarige IT-specialist op het plein voor het parlement. „Dit zijn bejaarden, jongeren, intellectuelen en kantoormensen.” Sommigen nemen lachend selfies met hun smartphone. Eén demonstrant rijmt „dictator” op „forralt bor”: glühwein.

Dit soort grapjes, plus het veelgehoorde gezeur dat het „toch niets wordt”, duiden volgens Szabolcs Kincse, hoofdredacteur van een website over taal en wetenschap, op een culturele eigenaardigheid. „Je vindt nergens zulke cynici als in Hongarije.”

Maar dat demonstranten en kritische blogs de verwachtingen over het protest vaak laag houden, heeft ook te maken met de wetenschap dat hun stokpaardjes slechts een beperkt deel van de samenleving beroeren. Toen Orbán deze zomer verkondigde dat hij een „onliberale democratie” op nationale en christelijke fundamenten wilde bouwen, bleef het rustig op straat. Democratie en rechtsstaat zijn voor veel Hongaren abstracte begrippen, zegt demonstrant András, een 40-jarige medewerker van een reisblad. „Het land is nog niet echt volwassen.”

Dat heeft te maken met het ‘goulash communisme’ van János Kádár, de partijleider na de opstand van 1956. Het zachtere karakter van zijn regime droeg eraan bij dat een minder sterke anti-autoritaire reflex ontstond dan in andere Oostbloklanden.

Bovendien viert in Hongarije het individualisme hoogtij en is de burgerparticipatie laag. Een volksbeweging krijg je hier niet snel op de been. Gabor Toka, politicoloog aan de Centraal Europese Universiteit in Boedapest: „Er bestaat een cultuur van angst. Veel mensen hebben een vrees die niet noodzakelijkerwijs op feiten gebaseerd is. Leerkrachten op basisscholen kunnen geloven dat hun baan afhankelijk is van politieke dociliteit.” Geen absurde gedachte in een land waar de invloed van de machthebbers ver buiten de politiek voelbaar is.

Maar Fidesz geniet ook veel actieve steun. Weliswaar verloor de partij sinds 2010 bijna 600.000 kiezers, ze behaalt nog steeds 45 procent van de stemmen. Welgestelden zijn tevreden over de vlaktaks. Maatregelen als verplichte verlaging van de energieprijzen krijgen nog meer bijval. Na de controverse over de internetbelasting draaide Orbán die maatregel snel terug.

Tv-zenders schotelen hun kijkers eenzijdige informatie voor over de regering. Recent haalde een nieuwslezer in het journaal van de publieke omroep uit naar regeringskritische websites die positief nieuws over de economie zouden verzwijgen.

Voorstanders van de regering doen de kritiek vaak af als een aanval op de Hongaarse natie. Toka: „Het nationalisme van Fidesz gaat niet over wat er mis is met andere naties of over het feit dat Hongaren beter zijn dan anderen. Het gaat over dat wij Hongaren geen faire behandeling krijgen.”

Dat resoneert met het Hongaars historisch bewustzijn, vol trauma’s door toedoen van vreemde machten: de Ottomanen, de Oostenrijkers, de Sovjets en de overwinnaars van de Eerste Wereldoorlog, die in 1920 met het Verdrag van Trianon drastisch sneden in het Hongaarse grondgebied. Recenter kwamen daar de sociale schokken van de privatiseringen en besparingen in de jaren negentig en de crisis van 2008 bij. De malaise die daarop volgde, leidde niet alleen tot het diskrediet van de liberale en socialistische partijen, maar vergrootte ook het wantrouwen jegens buitenlandse bedrijven die veel winst gemaakt hadden in Hongarije. En jegens intrenationale instanties als het IMF, dat strenge eisen aan noodleningen stelde.

Belastingvrije palinka

Orbán presenteert zich daarom als beschermer van Hongaarse belangen en cultuur. Hij fulmineert tegen de bemoeienis van EU-bureaucraten en wil dat Hongarije Hongaars blijft: „Europa heeft geen immigranten nodig.” Hij verdedigt wetgeving die landbouwgrond „in de handen van de Hongaarse boeren”, en dus uit de handen van Oostenrijkse agrariërs, houdt. Hij staat klaar om te vechten tegen Brussel voor het recht op het belastingvrij maken van palinka, de geliefde likeur van de rurale kelderstoker. Fidesz besteedt veel aandacht aan het platteland, waar Orbán en veel partijgenoten vandaan komen.

De oppositie, die vooral sterk is in de steden, doet dat vaak niet. „Ik kom er nooit”, vertelt een prominent liberaal ex-politicus lachend. Een nieuwe wervende boodschap heeft ze al evenmin. Verdeeldheid over strategie en leiderschap slorpen veel aandacht op. Onpopulaire partijkaders met politieke wortels in het communisme opereren nog steeds op de voorgrond.

De oppositie wordt nog verder verzwakt door de strategie van Fidesz. Dankzij de hervorming van het kiesstelsel en de invloed van de partij in de media en op de advertentiemarkt, zijn verkiezingscampagnes een beproeving voor de tegenstanders.

Of de dominantie van Fidesz blijft voortduren, zal in belangrijke mate van de economie afhangen. Om de begroting te financieren, heft de overheid steeds nieuwe belastingen die vaak bij buitenlandse investeerders terechtkomen. Analisten speculeren of de onorthodoxe Orbanomics-methode wel houdbaar is. Maar zelfs als dat niet zo is en de protestbeweging meer mensen weet te binden, dan nog blijft onduidelijk wat er na Orbán zou komen.

„Wat als Orbán zou terugtreden?” vraagt András zich af. „Dan krijgen we nieuwe verkiezingen. Maar we hebben vrijwel geen oppositie. Mijn zorg is dat radicaal-rechts dan in het gat duikt.”

Dat is geen ongegronde vrees: sinds 2006 boekt de Jobbik-partij, met haar antisemitische en anti-Roma retoriek, winst bij elke verkiezing.