Lieve God. Kent u me nog?

Lezers van NRC schrijven graag over actuele zaken en slaan ook God niet over.

De oproep van deze krant om een papieren brief aan een ‘held of anti-held’ te schrijven heeft in iets meer dan twee weken tijd 140 inzendingen opgeleverd. De jury heeft de eerste prijs toegekend aan Jan Bais uit Den Haag, voor zijn brief aan Euclides, de grondlegger van de wiskunde. De winnende brief staat hiernaast afgebeeld. Bais dankt de prijs aan zijn prettig absurdistische invalshoek, die hij soepel in de richting van de actualiteit weet te leiden. Bovendien verried de zorgvuldige vormgeving van zijn – deels verbrande – brief een groot gevoel voor de fysieke component van de klassieke correspondentie.

De tweede prijs ging naar de uitstekend geschreven waarschuwing van Wout Hardeman aan de hoofdpersoon van Flauberts klassieke roman Madame Bovary – ook al omdat deze brief een gevoel vertegenwoordigt dat lezers van romans vaak overvalt: het verlangen om de hoofdpersoon te waarschuwen voor de verkeerde keuzes die hij (of zij) dreigt te maken. Bovendien was het een brief in de precieze betekenis van het woord, een persoonlijk verzoek om tot actie over te gaan.

De derde bekroonde brief is het door Claire Schut opgetekende verhaal van Saïd B., die zijn diensten als bejaardenverzorger aanbiedt aan de heer Van Rijn, de vader van de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Hij legt daarin uit hoe de roep om beter gekwalificeerde verzorgers het probleem juist vergroot. Er zijn juist veel laagopgeleiden die zo aan de slag kunnen, zoals hijzelf: ‘Nu zit ik hier met mijn gouden duimen te draaien’.

De brief van Said B. staat niet op zichzelf. Veel inzendingen gingen in op de actualiteit: staatssecretaris Van Rijn werd diverse malen aangeschreven, evenals premier Rutte en Nobelprijswinnares Malala.

Een groep inzenders vond helden in eigen kring, vaak bij zieke of overleden vrienden of familieleden. Dat leverde ontroerende epistels op, waarvan de jury zich voor kon stellen dat het niet eenvoudig moet zijn geweest ze te schrijven.

Van een geheel andere orde waren de brieven aan het opperwezen, waarvan er één speciale vermelding verdient wegens de superieure beginzin: ‘Lieve God. Kent U me nog?’ Ook waren er mooie brieven aan Beethoven en Bach en een geestige brief over de opening van de Arnon Grünberg-tentoonstelling in Amsterdam, die juist buiten de prijzen viel. Dat gold ook voor het terloopse verslag van een gezinsdag aan het strand, gericht aan de leiding van terreurorganisatie IS. Het geheel stemde de jury zeer optimistisch over de vitaliteit van de Nederlandse brief.