Column

Laat je niet kennen

Haastig op weg naar onze trein werd ik voor het Centraal Station van Amsterdam met mijn vrouw staande gehouden door een mooi, zwartharig meisje van een jaar of zestien, zeventien met de vraag: „Heeft u misschien een eurootje voor mij?”

Inderdaad, geen vraag die je als doorgewinterde grotestadsbewoner voor het eerst van je leven krijgt. Toch hoorde ik mezelf stomverbaasd tegen het meisje liegen: „Nee, dat heb ik niet.” Waarom zei ik niet keihard-zakelijk: „Nee, dat krijg je niet”? Noem het een vorm van intuïtieve schaamte: er is niets waarvoor je je hoeft te schamen, maar je doet het onwillekeurig tóch. Het is de dunne huid van je geweten waar de bedelaar doorheen prikt.

Ze bleef me ontspannen aankijken met een even-goede-vrienden-blik en liep door naar een ander charitatief doelwit. Het viel ons op hoe goed verzorgd ze eruitzag. Dit was geen hulpbehoevende zwerfster of junk, hooguit een meisje dat voor directe consumptie snel wat euro’s wilde scoren. Ze was niet alleen, zagen we. Er voegde zich een jongen in een rood joggingpak bij haar die ook voorbijgangers aansprak. Hij oogde wat slonziger en obscuurder met zijn zonnebril, maar leek evenmin vaste gast bij het Leger des Heils.

Merkwaardig hoe gemakkelijk sommige mensen zonder noodzaak vernedering aanvaarden. Ik kauwde nog wat na op dit verschijnsel toen we al in onze trein naar Utrecht zaten. We waren Amsterdam nog niet uit of een vrouw van half in de veertig trad kordaat ons compartiment binnen. Ze droeg nogal fletse kleren – broek, winterjasje – en had een mager, ernstig gezicht. Ze bleef in het gangpad staan en zei in net, goed gearticuleerd Nederlands: „Ik wil uw aandacht vragen voor een probleem. Ik moet naar Utrecht waar mijn vriend mij op het perron opwacht. Helaas ben ik mijn portemonnee op het station kwijtgeraakt, waardoor ik geen geld voor een kaartje heb. Zoudt u mij willen helpen?”

De reizigers hoorden haar zonder reactie aan en gingen door met hun bezigheden of gesprek. Daarop zei de vrouw onbewogen: „Wat ook mogelijk is: ieder van u geeft mij 50 eurocent, zodat ik aan de 3 euro 80 kom die ik nodig heb.” Je hoorde haar denken: kom, jongens, laat je niet kennen. Ze keek vervolgens ieder van ons ook met een navenante blik aan.

Een vrouw aan de overzijde van het gangpad zei: „Ik heb geen kleingeld.” Dat was ook iemand van de intuïtieve schaamte. Maar een andere vrouw vroeg scherp: „Waarom gaat u niet naar de conducteur om het te regelen?” „Dat heb ik gedaan”, reageerde de vrouw, „maar ik moet hem betalen – daarom sta ik hier.”

Wat ons allen betrof kon ze daar blijven staan tot ze minder dan een ons woog. We lieten ons niet besodemieteren, wat dacht ze wel? Ze had beter kunnen zeggen: „Sorry, ik bedel. Het is niet leuk voor u, maar ook niet voor mij. Ik heb er mijn redenen voor, maar daarmee zal ik u niet vermoeien. Als u wat kunt missen: graag.”

Ik vermoed dat ze dan meer kans op succes had gehad. Nu moest ze naar al die hoofden kijken die zich zwijgend van haar afwendden. Dat moet een ervaring zijn waar je misschien wel aan gewend raakt, maar die ’s nachts in je dromen toch nog weleens vervelend wil terugkeren. Ze wachtte nog even en liep toen kaarsrecht door naar het volgende compartiment.

Bedelen is niet zo makkelijk als het lijkt, zeker met al die onderlinge concurrentie.