Kamer moet juist wel praten over Zwarte P.

Niet héél Nederland maakt zich druk om Zwarte Piet. Er is in elk geval één plaats waar het kinderfeest niet verstoord wordt: dat is de vergaderzaal van de Tweede Kamer. Toen Kamerlid Martin Bosma van de PVV vorige week aandrong op een debat met de minister van Cultuur, stelde PvdA-Kamerlid Jacques Monasch voor het sinterklaasfeest te gaan vieren: „Ik heb geen behoefte aan een debat hierover in dit huis”. Hoe minder aandacht eraan wordt besteed, vond SGP’er Roelof Bisschop, hoe beter het is. Hij kreeg bijval van het CDA. En VVD’er Arno Rutte oordeelde: „Hoe minder wij ons als politici daarmee bemoeien, hoe beter het is.” Bosma kreeg alleen steun van de ex-PVV’ers Bontes en Van Klaveren. Onvoldoende voor een debat.

Wat een wijze terughoudendheid opeens, van volksvertegenwoordigers die er buiten de feestdagen prat op gaan in de Kamer te vertalen wat er in de samenleving leeft. Dat Zwarte Piet onderwerp is geworden van politiek debat, kun je betreuren, maar moeilijk ontkennen. Zelfs in een treincoupé kun je dezer dagen meemaken dat passagiers spontaan kleur bekennen: wie is precies („wie Zwarte Piet wil verwijderen moet zélf verwijderd worden”), wie rekkelijk: Piet moet kunnen veranderen.

In de trein zat een man die volhield dat het „echt niet alleen Wilders” was die opkwam voor Zwarte Piet. Hij kreeg géén bijval. Kennelijk was de coupé al vergeten dat premier Rutte recent nog vond dat Zwarte Piet „nu eenmaal” zwart is. CDA-Kamerlid Michel Rog speelde nog geen rol: hij had op dat moment nog niet anti-Piet-activist Quincy Gario op Twitter een „graaipiet” genoemd, omdat die een vergoeding vroeg voor een optreden bij CDA-jongeren.

Rog riep verontwaardigde reacties op, maar bij het CDA vonden ze dat zo’n grapje moest kunnen. Je kunt mismoedig doen over over de CDA-bijdrage aan het debat over Zwarte Piet: kennelijk liever op Twitter dan in de Kamer, en liever lollig dan doordacht. Maar een onschuldig grapje was het niet. Het laat zien waar het CDA mee worstelt, net als de andere partijen die geen Kamerdebat willen over Piet: ze willen graag aan de kant staan van mensen die menen dat Zwarte Piet hun is afgepakt, maar ze hebben geen antwoord op de PVV. Het lukt Wilders en de zijnen weer de partij te zijn van de verliezers van zekerheden, Zwarte Piet incluis. Dat is geen kleinigheid, want dit gaat bij uitstek om kiezers die CDA, PvdA en VVD zo moeilijk nog kunnen bereiken, van wie de WRR en het SCP in hun recente rapport over de Gescheiden Werelden tussen hoger en lageropgeleiden waarschuwden: kijk niet op hen neer.

Maar dat is precies wat er gebeurt door mensen die het debat over Zwarte Piet afwijzen. Lodewijk Asscher, de minister die zich het debat nog het meeste aantrekt, schetste (niet in de Kamer, maar op tv bij Buitenhof) het dilemma waar het kabinet en middenpartijen als het CDA en de PvdA voor staan. Ze willen de kool en de geit sparen: de mensen die aan Zwarte Piet gehecht zijn niet nu opeens vertellen dat ze eigenlijk altijd racistisch zijn geweest. En tegelijk de mensen erkennen die zich door Zwarte Piet gekwetst voelen. Het lijkt een redelijk standpunt, maar zoals het nu gaat, is het een verloren zaak.

Zwarte Piet heeft intussen een harde kern fans die hem willen bevriezen in eeuwige zwartheid. Het staat in het PVV-wetsvoorstel over Zwarte Piet, dat ook meldt dat „een aanval op Zwarte Piet” neerkomt op „een aanval op de Nederlandse identiteit.” Je kunt er om lachen, maar politieke conflicten liggen niet in pure vorm in de samenleving te slapen om wakker gekust te worden. Politici formuleren het idioom waar de politiek van leeft. Als de Kamer op een dag het wetsvoorstel van de PVV bespreekt, hebben de zwijgende partijen de slag om Zwarte Piet allang verloren.