Hoogleraar moet eerlijk zijn over bijbanen

De bijzonder hoogleraar moet wel een uitzondering blijven, vinden Marcel Metze en Casper Thomas.

Wat mag de samenleving van een hoogleraar verwachten? De Vereniging van Nederlandse Universiteiten (VSNU) verwoordt het helder. Een onderzoeker moet zich laten leiden door „geen enkel belang dan het wetenschappelijk belang”, aldus haar gedragscode. Dat klinkt logisch. Commerciële belangen, de wensen van de politiek of iemands privévoorkeuren zijn slechte raadgevers voor een wetenschapper die zich laat voorstaan op zijn onafhankelijkheid en onpartijdigheid. De dagelijkse praktijk is ver van dit ideaal weggegleden, zo constateren wij deze week in een groot dossier van De Onderzoeksredactie dat wordt gepubliceerd in De Groene Amsterdammer.

Ons onderzoek brengt een schaduwuniversiteit aan het licht die in omvang de reguliere academie naar de kroon steekt. Nederland telt 5.800 hoogleraren, althans volgens de universitaire websites. Daarvan heeft ruim 80 procent nevenactiviteiten. Samen hebben ze 17.000 van die activiteiten, wat neerkomt op bijna vier per persoon. Toen we met een representatieve steekproef controleerden of de hoogleraren hun nevenactiviteiten ‘actueel en volledig’ opgeven, zoals de VSNU-gedragscode voorschrijft, bleek dat zij eenderde niet melden.

Ons onderzoek bevestigt dat de wetenschapsagenda in veel gevallen niet alleen meer wordt bepaald door de nieuwsgierigheid van de vrije onderzoeker, maar mede door partijen die hun eigen (commerciële of beleidsmatige) belangen voorop stellen. Dit wordt versterkt door de groei van projectgebonden onderzoeksfinanciering ten koste van het onderzoeksgeld dat universiteiten naar eigen inzicht kunnen besteden.

Een belangrijke factor hierin – door de overheid sterk gestimuleerd – zijn de professoren wier leerstoel wordt betaald door een externe partij. Deze ‘bijzonder’ hoogleraren hebben vaak een kleine universitaire aanstelling en werken voor de rest elders. Voor velen van hen is hun professoraat een bijbaan. Daarmee denken zij anders dan de universiteiten. Die stellen in hun richtlijnen het professoraat centraal en zien alle niet-universitaire affiliaties als ‘nevenwerkzaamheden’, die ook de bijzonder hoogleraren publiek bekend zouden moeten maken.

Dat universitaire perspectief is volgens ons het juiste. Ook de hoogleraar die maar één dag in de week onderzoek doet, moet zijn rol als wetenschapper scheiden van zijn andere taken. En om te kunnen beoordelen of dat gebeurt, is openheid over buitenuniversitaire werkzaamheden en belangen een eerste vereiste. Transparantie alleen is niet genoeg. De bijzonder hoogleraar moet bijzonder blijven: een uitzondering op de regel. Opnieuw is de praktijk anders: één op de vijf Nederlandse professoren bekleedt zo’n ‘gekochte leerstoel’. Op sommige universiteiten is het een ruim eenderde.

Het grote aantal bijzonder hoogleraren en deeltijdhoogleraren, en de enorme omvang van de professorale nevenactiviteiten, brengen de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van onze universitaire cultuur in het geding. Wij komen hoogleraren tegen met een ‘nul’-aanstelling die slechts nevenactiviteiten hebben, hoogleraren met nauwelijks wetenschappelijke publicaties en hoogleraren die zich bezighouden met onderzoeken naar consumentenproducten, betaald door het grootbedrijf.

Dit heeft weinig van doen met onafhankelijke kennisvergaring. Bij dit soort hoogleraren lijkt de toga vooral te dienen om de agenda van anderen van wetenschappelijk elan te voorzien. Voor de buitenstaander is het onderscheid tussen een hooggeleerde pr-functionaris als de Groningse hoogleraar Jepma, die openlijk de gasindustrie dient, en een echte wetenschapper vaak moeilijk te zien. Immers, ook de gesponsorde hoogleraar treedt naar buiten als iemand aan wiens mening belang moet worden gehecht omdat hij de titel professor draagt.

Op deze manier ondergraaft de academische gemeenschap haar eigen gezag. De universiteiten moeten veel terughoudender zijn in het toekennen van een professoraat en aan de bijzonder hoogleraren veel strengere eisen stellen. Ook van de parttime onderzoeker mag worden verwacht dat hij zijn tijd besteedt aan onderwerpen die direct of indirect een algemeen belang dienen. Onderzoek naar de knapperigheid van beschuit, een van de voorbeelden uit ons onderzoek, hoort daar niet bij. Voor dat soort bedrijfs-R&D is de toga niet uitgevonden.

Er is een stevig debat ontstaan over het functioneren van de wetenschap, mede dankzij de affaire-Stapel en de kritische wetenschappers in Science in Transition. Na de discussie over een te gejaagde, te toegepaste onderzoekscultuur is het tijd voor een gesprek onder professoren over wat ‘hooggeleerd’ anno 2014 betekent.

Hoogleraar is een merk geworden, zo constateerden enkele professoren die wij interviewden. Als dat zo is, wees dan zuinig op dat merk en zorg dat het staat voor kwaliteit, gestoeld op geen ander belang dan dat van de wetenschap.