De bom die Gurlitt achterliet

Op 7 mei 2014 kreeg Kunstmuseum Bern het bericht dat het als enige erfgenaam was aangewezen door Cornelius Gurlitt uit München, zoon van nazi-kunsthandelaar Hildebrand Gurlitt. Gisteren verklaarde het museum dat het de erfenis accepteert. Die beslissing kostte een half jaar en vreemd is dat niet. Met zijn laatste-wilsbeschikking maakte Gurlitt Zwitserlands oudste kunstmuseum (sinds 1879) verantwoordelijk voor een tijdbom uit het Derde Rijk. Duitsland zegde toe substantieel bij te dragen aan het detoneren ervan.

Het besluit van het Bernse museum is een nieuw hoofdstuk van de geschiedenis van de schuchtere Cornelius Gurlitt, die decennia lang een enorme kunstcollectie met ongeveer 1.500 werken (geschatte waarde 500 miljoen euro) verborgen hield, nadat zijn vader had beweerd dat alles in 1945 in Dresden in vlammen was opgegaan. De collectie werd ontdekt, Cornelius stierf en alles is voor ‘Bern’, bepaalt zijn testament. Ook zijn geheimzinnige ‘collectie-Salzburg’. 238 kunstwerken groot, nog nauwelijks bekeken, maar wel met Claude Monets Waterloo Bridge, temps gris.

De Gurlitt-erfenis is een bom met meer dan één lont in het kruit. De in 1938 als ‘ontaarde kunst’ uit de Duitse musea geroofde werken, circa 400 stuks, geeft Bern met voorrang in bruikleen aan Duitse musea die daarom vragen. Dat is een operatie van jewelste, maar nog niets vergeleken met de teruggave van de zogeheten roofkunst. Restitutie werd met de jaren steeds gecompliceerder, met claims en soms tegenclaims van nazaten van nazaten. Maar hoe moeilijk ook, het mag restitutie niet verhinderen. Het betreft een ereschuld aan hen die beroofd werden of tot verkoop gechanteerd.

Wir übernehmen gemeinsam Verantwortung – dat schreven het Kunstmuseum Bern en de Beierse minister van Justitie in een gezamenlijk persbericht. Duitsland neemt het herkomstonderzoek en de juridische afhandeling van restitutie voor zijn rekening – alles bij elkaar jaren werk en goed voor heel veel geld, maar wel zo fatsoenlijk.

De kunst die overblijft is dan voor ‘Bern’. En nu wordt her en der geopperd dat het museum ook deze werken niet zou moeten accepteren. Verkopen en de opbrengst afstaan aan een Joods goed doel. Niet profiteren, dus niets exposeren. Dat zou ethisch zuiver zijn. Het besmet verklaren van deze kunstcollectie is gericht tegen Gurlitt en de nazi’s, maar het zou de kunst treffen. Kunst bestaat om gezien te worden. Niet om het tot onzichtbaarheid te veroordelen en in depot te houden tot een koper de besmetting voor lief neemt, het verwerft en meeneemt. Doordat Bern de erfenis aannam, kan worden beantwoord aan het doel van kunstwerken. En dat is het best voorstelbare weerwoord tegen besmette kunsthandelaars.