Boeiend experiment met schijn en wezen van Henry van Loon

Met Henry van Loon gaat alles goed, zegt hij. Hij heeft een vriendin, spullen en leuk werk. Dus waar moet hij het over hebben, vraagt hij zich af. Over de vreemde mannen in de buurt of over de schuur die hij nog niet heeft. Rare ideeën heeft hij, en ze worden steeds excentrieker.

Het is knap en geestig hoe Van Loon een onaangepaste fantast neerzet, die leeft in een imaginaire wereld. Dat levert absurdistische verhalen op: over een casinoverbod, een modellencarrière, over kunnen vliegen en gevangenisstraf.

Al die verzinsels leggen bloot dat deze figuur natuurlijk wel een probleem heeft, namelijk schijn en wezen kunnen onderscheiden. Gaandeweg lopen in Sluimer fictie en werkelijkheid steeds verder door elkaar. Dat maakt de derde van Van Loon (1982) tot een boeiend cabaretexperiment.

Sluimer heeft krachtige passages, zoals wanneer hij een paar moppen uitwalst tot groteske proporties en slim speelt met de verwachtingen van de toeschouwer. Maar het tempo ligt laag en er valt net iets te weinig te lachen.

In het acteren van zijn gekte is Van Loon een afschaduwing van de manische types die Wim Helsen speelt. Maar Helsen laat je geloven dat de waan van zijn personage de realiteit is. Bij Van Loon krijg je gefabriceerde verzinsels, waar je steeds weer makkelijk uitstapt. Dat zijn onderwerpen keurig terugkomen in een alomvattende droomslotscène, betekent niet dat Van Loon een dwingend concept heeft bedacht. Al die wensdromen staan te veel op zichzelf. Dat maakt deze collage uiteindelijk te vrijblijvend.