Afwikkeling zaak-Gurlitt gaat jaren duren

De afspraken tussen Duitsland en Kunstmuseum Bern zijn goed gevallen. Vooral omdat het onderzoek naar roofkunst in Gurlitts collectie verder gaat.

Vanaf links: Monika Grütters (bondsminister Cultuur),Christoph Schäublin (voorzitter stichting Kunstmuseum Bern),Winfried Bausback (minister Justitie Beieren). Foto AFP

Hij wilde vooral deemoed uitstralen. Dat bleek uit zijn woorden en uit de zorgvuldig gekozen formuleringen in de geschreven verklaring die journalisten gisteren meekregen na de persconferentie. Toch lukte het de Zwitser Christoph Schäublin niet, anders dan de twee Duitse politici, om een soort vrolijke tevredenheid te verbergen. Zeker niet in de interviewtjes die hij, voorzitter van het stichtingsbestuur van Kunstmuseum Bern, na het officiële gedeelte van de persconferentie gaf.

Eerder had hij samen met de Duitse cultuurminister Monika Grütters (CDU) en de Beierse minister van Justitie Winfried Bausback (CSU) tekst en uitleg gegeven over de afspraken omtrent de omstreden nalatenschap van Cornelius Gurlitt. Omstreden omdat diens vader Hildebrand een kunsthandelaar was die dankzij opdrachten van nazi’s actief was gebleven tijdens de oorlog. Juist in die jaren bouwde hij een grote kunstcollectie op met daarin talloze geroofde, afgetroggelde of in beslag genomen kunst. Roofkunst. De verzameling werd in februari 2012 bij toeval ontdekt.

Schäublins tevredenheid is te begrijpen. De overeenkomst met de Duitsers ziet er voor zijn museum goed uit. Duitsland blijft het tijdrovende onderzoek naar de collectie voortzetten en bekostigen. Het financiert tevens restitutie van kunstwerken en eventuele rechtszaken die zullen volgen op conclusies van de herkomstdeskundigen.

Alleen werken waarvan de onderzochte herkomst onverdacht is, gaan naar Zwitserland. Als herkomst niet is vast te stellen, zelfs niet na uitgebreide bestudering, mag het museum bepalen of het zo’n werk wil hebben. Roofkunst waarvan de rechthebbenden niet worden gevonden, zal worden geëxposeerd in Duitsland, met uitleg over de herkomst. De hoop is dat dan alsnog rechthebbenden zich melden. Om diezelfde reden is gisteren de boekhouding van Hildebrand Gurlitt online gezet op lostart.de, zodat te zien is wanneer en van wie hij welke kunst kocht. Namen zijn soms om privacyredenen onleesbaar gemaakt.

Onjuist bleek het gerucht, verspreid door de Neue Zürcher Zeitung, dat het museum had beloofd 384 ‘entartete’ werken uit de collectie in permanente bruikleen te geven aan de Duitse musea die ze eind jaren dertig aan de toenmalige Duitse regering hadden moeten afstaan, vanwege hun „ontaarde” karakter. Denk: kubisme, expressionisme, enzovoorts. Bern neemt die werken op in de collectie, maar zal bruikleenverzoeken van destijds getroffen musea met „voorrang” behandelen.

Is Schäublin dan helemaal niet bang voor de toekomst? Nee, door de „gekozen werkwijze en transparantie daarover” verwacht hij niet de „lawine” aan rechtszaken waarvoor de voorzitter van het Joods Wereldcongres hem heeft gewaarschuwd. Ook blijkt hij niet bang voor de 87-jarige nicht van Gurlitt, Uta Werner, die op de valreep bezwaar maakte tegen het testament. Schäublin: „Eigenlijk mag ik daar niets over zeggen, omdat de zaak bij de rechter ligt. Maar ik maak me er geen zorgen over.”

Betekent zoveel tevredenheid bij de Zwitser dat de Duitsers te veel hebben weggegeven in de onderhandelingen? Bausback, de Beierse minister, vindt van niet. Ja, het lijkt erop dat Bern geniet van alle lusten en Duitsland alle lasten draagt, „maar je moet beseffen dat wij bij iedere andere regeling de verdenking op ons hadden geladen blij te zijn dat we van deze kunstcollectie af zijn. Terwijl we er juist op gebrand zijn dit zo verantwoordelijk mogelijk op te lossen.” Monika Grütters, de Duitse minister van Cultuur, sprak herhaaldelijk van „verantwoordingsbewustzijn”.

Sommige Joodse instellingen en restitutieadvocaten zien dat bewustzijn inderdaad groeien. Chris Marinello, restitutiedeskundige en advocaat van een van de Joodse erfgenamen wier kunst in de collectie is opgedoken, spreekt zelfs van „een mijlpaal”. Het zou „wel eens het begin kunnen markeren van de mentaliteitsverandering die in Duitsland zo broodnodig is”.

Anderen zijn minder enthousiast. Restitutieadvocaten Mel Urbach en Markus Stötzel blijven van mening dat de collectie zo spoedig mogelijk naar Israël moet, „thuis in het huis van de Joodse natie”.