Weg met al die jongens zoals ik

Édouard Louis (22) groeide als homo op in een plattelandsdorpje, waar ze hem een ‘grietje’ noemden en bespuugden. Hij vertelt over de angst en de armoede, in zijn autobiografische roman. Het werd een bestseller.

Édouard Louis: „Mensen denken dat als je maar hard genoeg werkt en iets écht wilt dat je er dan wel komt. Dat geldt voor deze mensen niet.” Foto Andreas Terlaak

Misschien zat je als kind ooit achterin de auto van je ouders, op weg naar een camping of huisje in Frankrijk. Vlak na de Belgische grens, in Noord-Frankrijk, keek je vanachter het autoraampje uit over het mooie Franse landschap, de uitgestrekte graanvelden. Vluchtig reed je langs kleine dorpjes. Je stelde je misschien voor hoe sereen en simpel het leven in zo’n dorp zou zijn. De Franse schrijver Édouard Louis (22) is in Hallencourt, zo’n dorpje, opgegroeid. Simpel is het laatste wat hij zijn leven daar noemt en rust ontdekte hij pas nadat hij het dorp had verlaten. Hij schreef er een autobiografische roman over: Weg met Eddy Bellegueule.

Wat typeert het leven daar volgens Louis dan wel? Fabrieksarbeiders die ’s ochtends vroeg met ingevallen gezichten hun peuk uitdrukken, de fabriek inlopen en zich op jonge leeftijd een hernia werken. Moeders die ’s nachts naar de bar gaan en met moeite hun agressieve dronken mannen meekrijgen. Een dorp waar de huizen niet-geïsoleerd zijn en waar mensen niemand vertrouwen. De kerk niet, de politiek niet, de juffrouw niet, de huisarts niet, wél de televisie – het liefst acht uur per dag. Een dorp gedomineerd door armoede, geweld, racisme en vooral homofobie.

Dus omdat Louis, die van kinds af aan al wist dat hij homo was, z’n handen iets meer bewoog dan de rest en een ander loopje had, werd hij al gauw ‘grietje’. Niemand begreep waarom hij zich zo gedroeg. Hij was een schande voor de familie. Twee jongens op school mishandelden hem iedere dag. Als hij het geluk had een keer niet in zijn gezicht te worden gespuugd door de jongens kwam het spuug op zijn jas, en moest hij het eraf likken. In bad gaan betekende bij Louis thuis een keer het bad laten vollopen en daar met z’n zevenen een voor een in. Ze hadden geen deuren in hun huis en aten soms melk als avondeten.

Gezicht geven aan alle Eddy’s

De dag nadat Louis het manuscript had verstuurd werd hij enthousiast gebeld door de uitgever. In Frankrijk barstte er door het boek een discussie los over homofobie en armoede. Weg met Eddy Bellegueule wordt nu overal ter wereld vertaald. De titel gaat niet alleen over de vijandigheid die hij voelde in het dorp, maar heeft ook een sociologische laag. Gezicht geven aan de situatie van alle Eddy’s en hopen dat hij de laatste is.

Louis is lang, slank, en draagt een overhemd met een nette trui erover. „Toen ik laatst naar huis ging, vroeg mijn moeder waarom ik van die elitaire kleding droeg.” Het eerste wat aan hem opvalt is zijn slotjesbeugel, die hij nu pas heeft. Louis lijkt een beetje timide, totdat hij begint te spreken. Je gelooft bijna niet dat hij pas 22 is, met zoveel wijsheid spreekt hij over zijn boek. Hij is al afgestudeerd in de sociologie en promoveert in Parijs op sociale klasse en hoe mensen hun tijd besteden. Aan zijn loopje valt niets op, als je er niet op let, en ook niet aan zijn handgebaren.

Iedereen in het dorp deed alsof jij anders was. Voelde je dat ook zo?

„Ja en dat was onterecht. Al voordat je ter wereld komt ben je onderdeel van de constructies van anderen. Jij bent een meisje, jij bent een jongen, jij bent zwart, jij bent homo, dus jij moet je op een bepaalde manier gedragen. Ik werd van kinds af aan al nicht genoemd. Nadat ik het dorp had verlaten begreep ik dat ik helemaal niet vrouwelijker of anders was. Zij waren geobsedeerd met het idee dat de man zich extreem mannelijk en agressief moest gedragen. Met geweld werd mij afgedwongen om me anders te gedragen maar ik was eigenlijk precies zoals zij.”

Waarom gebruikten ze zoveel geweld?

„Geweld is het product van machteloosheid. Ze noemden onze buren, die net iets armer waren dan wij, stakkers en sloebers. Het waren in hun ogen de mensen die niet voor zichzelf konden zorgen. Ze haalden Arabieren en joden naar beneden, om zich beter te voelen over zichzelf. Dat was het gevolg van hun inferioriteitsgevoel ten opzichte van de rest van het land, de stedelingen, de Parisiens, de opgeleiden, mensen met geld – de geprivilegieerden.”

Waarom zijn ze boos op de stedelingen?

„Het zijn de mensen van wie de behoeften op het vlak van onderwijs en werk naadloos aansluiten op het systeem. In ons dorp is al generaties lang niemand echt opgeleid. Het onderwijssysteem lijkt niet voor hun gemaakt. Ze voelen zich vervreemd van de rest en niet vertegenwoordigd door de politiek. En ze voelen zich dagelijks vernederd. Wanneer ze in de rij van de voedselbank staan te bedelen voor eten. Wanneer ze hun kinderen niet genoeg eten kunnen geven. Daar komt die woede vandaan.”

Louis doet zijn hele leven zijn best om een vechtersbaas te zijn net als de andere mannen in zijn dorp. Hij zoent met meisjes, zit op voetbal, scheldt andere homo’s uit. Een moment van plezier komt bijna niet voor in het boek. Alleen wanneer hij als negenjarig jongetje seks heeft met zijn neef – hij groeide op in een wereld waar constant gesproken wordt over neuken en hoeren. Louis weet dan al dat hij homo is, zijn neef wil alleen experimenteren.

Was dat het enige moment dat je blij was?

„Ja, want toen kon ik eindelijk mezelf zijn. Het is niet zo dat ik verder nooit iets plezierigs meemaakte. Mijn geheugen heeft die momenten niet meegenomen omdat ze overschaduwd werden door geweld.”

Heb je nooit eerder willen vluchten uit het dorp?

„Nee, ik ben ook niet gevlucht, ik ben toevallig naar een middelbare school gegaan die ver was van huis. Verhalen over mensen die wegvluchten uit zulke situaties geloof ik niet. Hoe kan je nou een leven willen dat je niet kent? Hoe wist ik nou dat de middelbare school mijn leven beter zou maken? Niemand in mijn familie was naar de middelbare school gegaan. Nu weet ik wel beter.”

Hoeveel Fransen kunnen zich herkennen in dit verhaal?

„Ik schat dat een op de vijf Fransen in deze armoede leeft. Het is de klasse onder de arbeidersklasse. Toen mijn vader ziek en arbeidsongeschikt werd, keek hij neer op de fabrieksarbeiders omdat zij iedere maand loon kregen, hij noemde ze elitair en bourgeois. Maar het is niet een probleem in Frankrijk alleen. Gisteren presenteerde ik mijn boek in Italië en daar zei een jongen: ook ik ben Eddy Bellegueule. Toch zijn er ook mensen, vooral hogeropgeleiden, die het niet geloven. Ze denken dat ik overdrijf en zeur. Het is een klasse waar weinig oog voor is.”

Waarom begrijpen ze het niet?

„Het is lastig om dat bestaan te begrijpen als je zelf in de beste wijken van Parijs bent opgegroeid. Een groter probleem is dat mensen vaak denken dat je uit die situatie kan komen als je het echt wilt. En dat klopt gewoon niet.”

„Mensen denken dat als je maar hard genoeg werkt en iets écht wilt dat je er dan wel komt. Maar dat geldt niet voor deze mensen. Hoe kan het dat kinderen van rijke mensen allemaal naar de universiteit gaan en mensen uit mijn dorp niet? Het kan niet zo zijn dat zij wel de wil hebben en deze mensen niet. Het heeft met je welvaart en met je kansen te maken.”

Hoe reageerden je ouders op je boek?

„Toen ik op de voorpagina van Libération stond heeft mijn vader voor het eerst in zijn leven de krant gekocht, kopieën gemaakt en die aan vrienden uitgedeeld. Hij is heel trots. Mijn moeder heeft het er moeilijk mee. Ze wil niet toegeven dat ze in een slechte situatie leeft.”

Ben je boos op je ouders?

„Nee, ik neem ze niets kwalijk. Ik geloof niet in het verantwoordelijk stellen van individuen. Het verandert niets. In Frankrijk willen ze misschien boetes uitdelen aan mensen die homofobe uitspraken doen, maar dat verandert niets. We moeten de posities van mensen in de samenleving veranderen, hun werkomstandigheden, hun onderwijsniveau, hun welvaartsniveau. Alleen dat kan ervoor zorgen dat er geen Eddy’s meer zijn.”