‘Taboes erken ik niet, alleen míjn smaak telt’

Joey Roukens (32) componeerde ‘Rising Phenix’, een nieuw groot werk voor koor en symfonieorkest dat vrijdag in het Utrechtse TivoliVredenburg in première gaat. Zijn handelsmerk: aansprekende veelvormigheid.

foto andreas terlaak

Op de eettafel ligt de grote partituur van zijn compositie Rising Phenix klaar: veertig minuten muziek voor een symfonieorkest én een koor. „Die combinatie had zonder meer iets engs”, zegt Joey Roukens. „Je probeert een tweekoppig monster te temmen, terwijl je weet: Mahler, Beethoven schreven geniale muziek voor deze koor én orkest.” De remedie? Gewoon beginnen. „Met je potlood achter de piano en improviseren maar – totdat er iets bruikbaars ontstaat. Daaruit kun je dan weer de muzikale cellen destilleren om mee verder te spelen.” Maar trots of tevreden? „Nee, dat ben ik nooit. Het moet altijd de volgende keer beter. Dat is frustrerend, maar zorgt ook dat mijn muziek zich ontwikkelt.”

Dat Joey Roukens (32) componist is, zou op straat waarschijnlijk niemand raden. Ondanks zijn snorretje en hippe zijscheiding is hij nog erg het bescheiden jongetje in capuchontrui dat in 1996 als een van de componerende kinderen meedeed aan het traditionele nieuwjaarsconcert van het Nederlands Blazersensemble.

Maar van de jongste generatie componisten is Roukens wel al geruime tijd de meest succesvolle. Hij brak door met Out of Control voor het Concertgebouworkest (2010), zijn vorige grote werk was het Concert Hypnagogique (2012) voor pianist Ralph van Raat en de Radio Kamerfilharmonie – een bonte mix van John Williams-achtige tovergeluidjes, mahleriaans grote gebaren en minimalistische pianoguirlandes. Zijn grootste compliment kreeg hij na afloop van een man die meldde dat hij „normaal niet van moderne muziek houdt, maar nu de radio harder zette”.

Roukens lacht. „Het is relatief, hè. Ik vang ook wel eens op dat conservatoriumstudenten mijn muziek bij elkaar geraapte onzin vinden. Maar zelf vind ik niet dat veelvormigheid authenticiteit in de weg staat. Mijn ‘onderwerp’ is alles wat ik hoor verwerken en verbinden. En in de manier waarop ik dat doe, heb ik wel degelijk een eigen signatuur.”

Roukens noemde Mahler ooit zijn grote voorbeeld en daaraan is de afgelopen jaren niets veranderd. „Maar Sibelius is erbij gekomen. Diens taal is niet vernieuwend, maar wat hij doet met tonaliteit en modaliteit vind ik fascinerend. En ook voor hem geldt: je herkent hem juist door zijn verscheidenheid. Zijn Zevende symfonie heeft maar één deel dat 23 minuten duurt, maar is vol verschillende secties. Uitputtend om naar te luisteren, zeker, maar ik ben van de generatie die graag veel prikkels tegelijk wil.”

Met de verworvenheden van ‘zijn generatie’, erkent Roukens, heeft hij een ambivalente relatie. Hij wijst naar zijn mobiele telefoon: een minimalistisch seniorenmodel, geen smartphone. Ook Twitter en Facebook mijdt hij. „Maar ik ben opgegroeid met veel stimuli: snelle tv, games, internet. Ik kan er niet omheen dat ik daarop ben ingesteld. Ik geniet van de verworvenheden van YouTube en Spotify. Maar je moet je hoeden voor de keerzijde: dat je maar wat rondzapt in plaats van ooit nog echt ergens geconcentreerd naar te luisteren.”

De eclectische toegankelijkheid van Roukens eigen idioom zal er zeker mee te maken hebben dat de ene na de andere prestigieuze opdracht binnenstroomt. Vrijdag brengen het Radio Filharmonisch Orkest en Groot Omroepkoor de première van Rising Phenix, in de nabije toekomst volgen onder meer een vioolconcert voor ASKO|Schönberg en een orkestwerk voor het Nederlands Philharmonisch Orkest.

Roukens vindt zelf dat hij zich in Rising Phenix van zijn meest optimistische kant laat horen. Maar de teksten die hij koos zijn niet conventioneel luchtig. Het gedicht The Building of the Temple van de Victoriaanse dichter Sir Henry Newbolt is gekoppeld aan een mystieke tekst, de Tabula Smaragdina, een van de sleutelteksten van de alchemie en hermetiek.

„Wat me erin aantrok was de relevantie van het onderwerp, passend bij het heropende muziekpaleis TivoliVredenburg, de klank van het Latijn en de afwisseling tussen melancholie en jubel”, zegt hij. „Dat klinkt misschien pragmatisch, maar een tekst moet me ook persoonlijk aanspreken. Ik heb heel veel afgewezen. Die Newbolt ook bijna, uit vrees dat die misschien al te bombastisch was. Anderzijds, mijn muziek gáát over de grenzen van het betamelijke. Taboes erken ik niet, alleen mijn eigen smaak bepaalt wat mag en wat niet. Een stuk als John Adams’ Grand Pianola Music kotsen velen uit, ik vind het groots. Wie heeft er gelijk? Misschien zit er wel veel wansmaak in mij. Ik geniet ook van goede filmmuziek, zoals die van Ennio Morricone of John Williams.”

Roukens’ brede smaak staat zijn afkeer van al te verregaand relativisme niet in de weg, benadrukt hij. „Ik vind Beethoven fundamenteel beter dan Beyoncé. Maar mag ik dat zeggen? Absolute kwaliteitsstandaarden zijn al snel verdacht. Maar ze bestaan wel, al zijn ze vaak lastig te duiden. Wat Schubert in één lied aan emotionele complexiteit kan bereiken, is ongekend – en met simpele middelen. Veel laat zich analyseren, maar genie niet, niet écht. Het jammere is dat bijna niemand oog heeft voor geniale klassieke én geniale popmuziek. Het één lijkt het ander uit te sluiten. Eigenlijk vind ik dat heel erg raar.”

Zelf zou hij best nog eens heel goede filmmuziek willen schrijven. „Op de Belgische radio klinkt al de hele dag een jingle van mijn hand”, zegt hij. „Ik wil me hoe dan ook niet beperken tot één genre. We zullen zien. Ik kan me ook voorstellen dat de groeiende muzikale vrijheid die ik mezelf toesta er uiteindelijk toe leidt dat de wereld van de klassieke muziek me niet meer pruimt en ik gedwongen ben me een andere kant op te ontwikkelen.”