Pleintjesvoetballers zijn de smaakmakers van de eredivisie

Ze geven graag een panna en zijn dol op trucjes. De ruwe diamanten van de straat spelen nu in de Nederlandse top.

De bal zit vastgeplakt aan de witte sneakers van Abdellah El Bahraoui (13). Hij maakt de ene schijnbeweging na de andere, afgewisseld met trucjes en slimme passjes. De capuchon hangt over zijn donkere haren, met zijn brilletje overziet hij het spel op het voetbalpleintje in het Rotterdamse Zuiderpark.

Het ventje heeft een drukke voetbaldag. Hij speelt in de C’tjes van amateurclub Spartaan’20 in Rotterdam-Zuid. Zaterdagochtend won hij met zijn team, nu tegen het eind van de middag kan hij het niet laten om nog op het pleintje te ballen.

Hij voelt zich vrijer op het pleintje. Hier staat geen coach langs de lijn die opdrachten geeft. „Ik kan doen wat ik wil.” Hij wrijft in zijn handen en lacht verlegen. „Ik doe veel panna’s”, een actie waarbij je de bal door de benen van de tegenstander speelt – de ultieme vernedering.

De droom van Abdellah? Hij hoopt net als zijn broer Moaad (17) opgepikt te worden door een profclub. Zijn broer zat eerst ook bij Spartaan’20 en speelt nu in de jeugd bij NAC Breda. Waarom zou hij dat niet kunnen, zegt Abdellah.

En gelijk heeft het talent. Pleintjesvoetballers zijn de smaakmakers van de eredivisie. Zoals zaterdagavond. Ajax-aanvaller Ricardo Kishna (19) – opgegroeid op de pleintjes in Den Haag – dolde twee spelers van SC Heerenveen waarna die andere straatvoetballer van Ajax, Anwar El Ghazi (19), het afmaakte. Tegen het einde van het duel (4-1 zege Ajax) gaf Kishna nog een genadeloze panna aan een verdediger. Eentje die je normaal alleen op de pleintjes ziet.

Straatjochies

Je haalt ze er zo uit, de avontuurlijke straatjochies uit de eredivisie. Adam Maher (21) begon op een pleintje in Diemen. Elvis Manu (21) in Dordrecht. Memphis Depay (20) in Moordrecht. Georginio Wijnaldum (24) in Rotterdam.

Ze zijn nu belangrijke spelers in de Nederlandse top, ze moeten zakelijker spelen, maar de liefde voor de straat blijft. „Het klopt wat ze soms zeggen: je kunt een speler van de straat halen, maar je haalt de straat niet uit de speler”, zei El Ghazi twee maanden terug op de clubsite van Ajax. „Ik poort liever nog iemand en geef daarna een mooie pass.”

Jonge ruwe diamanten zijn ze. Ze betoveren de Nederlandse velden met hun gewaagde acties. Het zijn jongens met lef, branie, creativiteit. Ze geven flair en kleur aan de donkere wintermaanden in de eredivisie.

Ze groeiden op in een tijd dat er volop voetbalpleintjes werden aangelegd in Nederland. In 2003 opende de eerste Cruyff Court, nu liggen er 157 door heel Nederland.

Bij eredivisieclub Excelsior omarmen ze straatvoetballers. Begrijpelijk, daar speelde in de jeugd ooit ene Robin van Persie, groot geworden op de pleintjes in Kralingen. Op straat creëer je overlevingsdrang, zegt hoofd opleiding Marco van Lochem.

Lichaamstaal

De wetten van straatvoetbal zijn hard: het team dat wint mag net zo lang blijven voetballen tot ze verslagen worden. Als je steeds verliest, moet je toekijken.

Op intuïtie spelen en individuele acties maken, daar gaat het om op straat. „Dat moet je er in de opleiding bij de club niet uithalen”, zegt Van Lochem. „Jongens van de straat hebben een bepaalde lichaamstaal. Zo van: ‘Jongens, kom maar op met die bal, ik doe het wel’.”

Hij stimuleert jeugdspelers panna’s en aka’s (trucje) te maken. Zo lang het maar functioneel is. Ook geeft Excelsior op acht speelveldjes in Rotterdam clinics aan jonge voetballers. De toptalenten krijgen een kans op de jeugdopleiding van de club.

Bij Feyenoord gebruiken ze elementen van het pleintjesvoetbal in hun jeugdopleiding, zegt Stanley Brard, van 2006 tot zomer vorig jaar hoofd jeugdopleiding. Zo laten ze de jeugdspelers zelf hun partijtje kiezen: de sterkste voetballers worden als eerste gekozen, de zwakste als laatste. Hard, maar eerlijk.

Onder leiding van Brard braken veel talentvolle jeugdspelers door bij Feyenoord. Een van hen is Jean-Paul Boëtius (20), een geboren pleintjesvoetballer. Urenlang bracht hij door op het Henegouwerplein in Rotterdam-West, tegenover zijn huis. Hij woont er nog steeds bij zijn ouders, maar voetballen doet hij er niet meer. Hij is bang dat hij er een blessure oploopt, zegt hij zaterdag na de krappe zege op FC Dordrecht (2-0).

Mist hij het wel eens, lekker pingelen op een pleintje? „Natuurlijk, natuurlijk, natuurlijk”, lacht Boëtius. Komende zomer is hij er eindelijk weer te vinden. „Dan hebben we genoeg weken om af en toe een dagje lekker te ballen.”